Skip to content

Mia Frumau: “Als gezondheidszorg en onderwijs samenwerken, kun je een leerling veel beter helpen”

Mia Frumau werkt al 38 jaar met mensen met een hoog ontwikkelingspotentieel. Als psychotherapeut en oprichter van een multidisciplinaire praktijk behandelt ze complexe problematiek.

Hoe ben je in de wereld van hoogbegaafdheid terechtgekomen?

“Het begon allemaal toen ik student-assistent was bij Franz Mönks. Dat was in 1985. Hij was hoogleraar Ontwikkelingspsychologie; samen met Willy Peters (ook ontwikkelingspsycholoog) is hij het CBO begonnen, gericht op diagnostisch onderzoek, onderwijs en wetenschap. Mijn focus lag naast diagnostiek meer op de hulpverlening. Er is altijd contact en een vorm van samenwerking gebleven met Franz Mönks (tot zijn overlijden) en Willy Peters tijdens en na hun CBO-tijd.

Zo ben ik vanaf het begin betrokken geweest bij de ontwikkeling van hoogbegaafdheid in Nederland. In die tijd waren er vier mensen in Nederland die zich hiermee bezighielden en het op de kaart hebben gezet: Franz Mönks, Pieter Span (hoogleraar Psychologie voor pedagogen en andragologen), Ton Mooij (onderwijsonderzoeker) en Juanita Rebel van de Binet Stichting. Zelf heb ik nog een cursus gevolgd bij mevrouw Rebel, waarmee ik Binetpsycholoog werd. Het was een bijzondere tijd, waarin zij met z’n vieren op zaterdag bij elkaar zaten, soep maakten en sparden over hoe ze hoogbegaafden in Nederland konden helpen.

In 1988 ben je PPF Centrum voor Hoog OntwikkelingsPotentieel gestart. Wat doet jouw praktijk precies?

“We behandelen complexe problematiek bij mensen met een hoog ontwikkelingspotentieel. We screenen zorgvuldig, want we willen juist deze mensen (van heel jong tot oud) helpen, die vaak moeilijker passen in reguliere hulpverlening. Onze aanpak is holistisch en breed systemisch: we puzzelen intensief samen met de cliënt om misdiagnoses te voorkomen. We bieden diagnostiek en behandelingen, variërend van cognitieve gedragstherapie waaronder ACT, systeemtherapie, existentiële psychotherapie tot traumabehandeling, psychoanalytische benaderingen, bokstherapie en mindfulness. Versterken van het mentaliserend vermogen is bijna altijd onderdeel van de behandeling. Als basis bekijken en begeleiden we de leefstijl.

Ons team bestaat uit psychiaters, GZ-psychologen, sociaal psychiatrisch verpleegkundige en andere specialisten. We passen onze methoden aan, omdat mensen met een hoog ontwikkelingspotentieel vaak net anders benaderd moeten worden. Daarnaast hebben we een preventietak, Breinsteyn, waar we zorg en onderwijs combineren. We staan letterlijk samen (zorg en onderwijs) op de werkvloer, met een specifieke aanpak die gestoeld is op wetenschappelijk onderbouwde methodieken. We geven les en schrijven boeken over onze methode.

Jij ziet natuurlijk heel veel uitdagingen waar hoogbegaafde kinderen en volwassenen mee kampen hebben. Kun je er een aantal noemen?

Een grote uitdaging is de ervaren mismatch met de omgeving, dat noem ik gebrek aan goodness-of-fit. Een andere grote is existentiële problematiek: vragen als ‘heeft mijn leven zin?’ of ‘wat is mijn zijn?’. Hoogbegaafde kinderen kunnen zich al op jonge leeftijd afvragen of hun bestaan wel betekenis heeft, vooral als ze zich niet thuis voelen in hun omgeving. Verveling is ook een veelvoorkomend probleem, niet per se omdat ze lui zijn, maar omdat de lesstof niet aansluit bij hun niveau. Soms is die verveling ook existentiële leegte: het niet kunnen omgaan met het gevoel dat het leven eindig is en geen richting of betekenis heeft. Angst dat er niets is in plaats van iets is (wat er gedaan kan worden) en dat het geen zin of nut heeft (wat gedaan kan worden).

We werken veel met asynchrone of atypische ontwikkeling, stemmingsproblemen, angsten en het daaruit voortkomende vermijdingsgedrag en traumaverwerking. Hoogbegaafde kinderen zijn vaak heel goed in het bedenken van argumenten of smoesjes om dingen te vermijden, omdat ze cognitief ver vooruit zijn. Maar als je die vermijding niet aanpakt, kunnen ze vastlopen. Ik probeer altijd door die laag heen te prikken, naar wat ze eigenlijk voelen, vermijden of verbergen. Emoties staan centraal in onze behandelingen.

Hoe ga je om met existentiële vragen bij kinderen?

Naast dat ik altijd probeer naar de kern te gaan, zoals angst voor de dood, wat heel pittig kan zijn, voeg ik ook een positieve en realistische insteek toe. We kijken naar wat ze wel kunnen controleren, waar hun waarden liggen en wat ze kunnen doen om zin te geven aan hun leven. Hoogbegaafde kinderen stellen al vroeg existentiële vragen. Hoogbegaafde jongeren zoeken vroeger dan andere jongeren naar de zin van hun leven. Existentiële depressies komen vaker voor bij mensen met een hoog ontwikkelingspotentieel. Het is belangrijk voor zingeving dat mensen kunnen ervaren dat ze er zijn en dat ze kunnen handelen. Soms is het bij existentiële verveling simpel: ‘Ga iets doen’. Kiezen om iets kleins te doen, voor een ander of als je daarmee betekenis vindt of je bouwt aan betekenis in je leven kan van grote waarde zijn. Zoals iets geven aan een ander waarmee die iets kan doen of glimlachen naar een ander. Hoe meer je doet wat voor jou betekenisvol is, hoe minder dat gevoel van zinloosheid wordt.

We praten ook over waarden: wat vind je belangrijk, waar krijg je energie van? Soms is het genoeg om te ontdekken wat ze leuk vinden of waar ze passie voor hebben of zinvol vinden om te DOEN.

Zorg en onderwijs allebei bezig om hoogbegaafde kinderen en jongeren te helpen. Hoe kunnen ze samenwerken?

Dat is een interessant punt. Als je de samenwerking aangaat, kan het in het begin wat ‘stoeien’ tussen zijn de verschillende benaderingen. Open in gesprek gaan zodat je elkaars perspectieven leert begrijpen heb ik als waardevol ervaren. Onderwijs en zorg kijken namelijk anders naar gedrag. Deze verschillende benaderingen kunnen elkaar mooi aanvullen en versterken, zoals wij merken door samen op de werkvloer te gaan staan. Als psychotherapeut ben ik vooral bezig met emoties en processen. Ik kijk naar de emotie achter het gedrag, niet alleen bij het kind, maar ook bij de leerkracht en mijzelf. In het onderwijs zijn processen vaak korter en taakgerichter, terwijl wij langere trajecten nodig hebben, vooral als het gaat om complexe problematiek met een overbelast systeem en/of diepere emotionele of existentiële kwesties.

Hoe kan de samenwerking tussen zorg en onderwijs er in de praktijk uitzien?

Ik heb een pilot gedaan met een samenwerkingsverband in Oss, waarin we regelmatig overleg hadden tussen zorg (SGGZ ikzelf) en leerkrachten van verschillende scholen, waarbij ze vragen en casuïstiek met mij en met elkaar konden bespreken. In de praktijk betekende dit dat we soms kinderen een paar keer zagen en dan weer met school om de tafel zaten. We deden een observatie: school vertelde wat zij zagen, wij vertelden wat wij zagen, en dan maakten we samen een plan. Soms bleef het bij die observatie, soms was verdere behandeling nodig. Het hing helemaal af van het kind en de situatie. Wat ook helpt, is dat we deze kinderen snel konden behandelen. Zo kunnen we snel ingrijpen als dat nodig is. En door de korte lijnen met de leerkrachten kunnen we direct reageren op vragen of veranderingen in het gedrag van een kind. Het is een samenwerking waarbij we elkaar aanvullen en van elkaar leren.

Korte lijnen en weinig regeldruk zijn essentieel. Als je mensen vertrouwt en ze hun werk laat doen, zonder bureaucratie, dan kun je veel sneller en effectiever helpen. Helaas zie je overal – in de zorg, het onderwijs, zelfs bij de politie – dat administratie en regeldruk het werk bemoeilijkt.

Wat doe je om hoogbegaafde jongeren te helpen die niet naar school gaan?

We hebben een Award-centrum voor middelbare scholieren en studenten. Award is geen therapie, maar een talent ontwikkelingsprogramma waarbij ze human skills oftewel niet formele vaardigheden leren. Ze werken een uur per week aan sport, vrijwilligerswerk en aan een persoonlijk doel. Dit doen ze net buiten hun comfortzone. Ook organiseren ze zelf expedities waarin ze overnachten en zelf koken. Dit helpt om hun zelfvertrouwen, doorzettingsvermogen en sociale vaardigheden, zoals samenwerken te ontwikkelen.

Voor jongeren die thuis zitten, is dit een manier om weer in contact te komen met gelijkgestemden. Ze ervaren dat ze niet de enige zijn en leren vaardigheden die ze in hun situatie misschien niet zomaar meer oppikken.

Hoe kijk je aan tegen de toekomst van hoogbegaafdheid in de gezondheidszorg?

Mijn missie is om hoogbegaafdheid in de GGZ op de kaart te zetten. Veel mensen met een hoog ontwikkelingspotentieel worden verkeerd gediagnosticeerd of behandeld, waardoor ze niet goed geholpen worden of zelfs afhaken. Ik heb de wens dat hulpverleners deze doelgroep leren herkennen en weten hoe ze hen kunnen helpen of als hen dat niet past dat ze hen doorverwijzen naar de juiste behandelaren. Wat ik heel mooi vind is dat we een hoofdstuk hebben mogen schrijven in het nieuwe handboek klinische ontwikkelingspsychologie.

Neem als simpel voorbeeld van het goed leren begrijpen van jongvolwassene hoogbegaafden die starten op de arbeidsmarkt. In dit voorbeeld zien we mentaal gezonde jongvolwassenen die gedrag laten zien dat gepathologiseerd kan worden maar ook verklaard kan worden vanuit hun hoogbegaafdheid. We zien dan jonge mensen die enthousiast aan de slag gaan op de arbeidsmarkt, maar na twee weken al uitgeblust zijn omdat het werk niet aansluit bij hun behoeften. Daarin zit geen enkele pathologie, maar wel een mismatch met hun omgeving. Ze hebben uitdaging en variatie nodig, anders lopen ze het risico op een bore-out. Het is belangrijk om hier al in een vroeg stadium (preventief) aandacht voor te hebben, zowel bij de jongeren zelf als bij hun toekomstige werkgevers.

Wat is de grootste les die je hebt geleerd in al die jaren?

Dat iedereen uniek is, en dat geldt zeker voor hoogbegaafden. Er is enorme variatie in deze groep. Wat voor de een werkt, werkt niet per definitie voor de ander. Onze aanpak is dan ook altijd maatwerk: N=1, zoals we het noemen. We kijken naar het individu met zijn of haar context. Ouders, school, vrienden: het speelt allemaal een rol.

En het allerbelangrijkste: neem de tijd. Soms kost het lang voordat iemand weer op de rit is, maar als je die tijd neemt, zijn de resultaten vaak blijvend. Ik heb cliënten met complexe problematiek gehad die na een lang traject op de basisschool nooit meer hulp nodig hadden. Dat is het mooiste wat er is.”