Skip to content

‘Als je één hoogbegaafde hebt gezien, heb je er één gezien’. 
Het Expertisecentrum Hoogbegaafdheid van Windesheim is Talent Point

Hogeschool Windesheim heeft al bijna tien jaar een eigen Expertisecentrum over hoogbegaafdheid. Sietske van der Worp en Rinske Kabout runnen samen met andere collega’s het centrum en bereikten onlangs een mijlpaal: ze zijn erkend als ETSN-Talent Point.

Rinske: “Ik werk dit jaar vijfentwintig jaar bij Windesheim, maar lang niet altijd op hetzelfde vlak. Ik ben begonnen bij de pabo, heb trainingen gegeven op het gebied van persoonlijke effectiviteit en communicatie en de didactische professionalisering van docenten verzorgd. Inmiddels ben ik bij de lerarenopleiding aardrijkskunde in dienst en combineer ik dat met het expertisecentrum. Naast dit werk ben ik ook penningmeester van de stichting HB-HO, het netwerk voor hoogbegaafdheid in het hoger onderwijs.”

Sietske: “Acht jaar geleden ben ik naar Windesheim gekomen. Daarvoor werkte ik in het voortgezet onderwijs, op een tweetalige vwo-afdeling. Daar kwam ik voor het eerst in aanraking met hoogbegaafdheid. Ik dacht: wat zitten hier veel leerlingen van wie we niet goed weten wat we ermee moeten. Ik heb toen al heel snel de ECHA-opleiding gedaan en vervolgens op die school van alles opgezet. Hier bij Windesheim heb ik dat weer opgepakt. Voor ECHA ben ik bovendien de National Correspondent of the Netherlands.”

Hoe is het expertisecentrum ontstaan?

Rinske: “Dat is nu zo’n negen jaar geleden. Docente Christine Vis wilde samen met Yvonne den Boer, een collega van een voltijds HB-basisschool in Dronten, iets met betrekking tot hoogbegaafdheid gaan doen binnen het hoger onderwijs. Hun gedachte was: we moeten docenten scholen op het gebied van het werken met hoogbegaafde leerlingen. We moeten een programma ontwerpen voor basiskennis en voor verdieping, gestoeld op de praktijk, dat goede inhoud bij de leerkrachten brengt.

Windesheim vond dat een interessant thema. Parallel daaraan was ik binnen de lerarenopleiding met een aantal collega’s, waaronder Sietske bezig met de vraag: hoe kan het toch dat er in het curriculum van de lerarenopleiding zo weinig aandacht is voor hoogbegaafdheid? Zo zijn wij elkaar tegengekomen en is het expertisecentrum binnen Windesheim uitgegroeid tot wat het nu is.”

Wat doen jullie allemaal?

Sietske: “Nou, heel veel. We hebben de cursus basiskennis hoogbegaafdheid: vijf bijeenkomsten waarin deelnemers concrete basishandvatten mee krijgen. Daarnaast hebben we de post-hbo tot specialist hoogbegaafdheid. Verder geven we een workshop aan intern begeleiders en hebben we een mini-leergang hoogbegaafdheid waar studenten van de masteropleidingen aan mee mogen doen, maar die ook wordt uitgezet als scholingsbijeenkomst voor personeel van Windesheim zelf en waaraan mensen van buiten Windesheim kunnen deelnemen.”

Rinske: “We zijn bovendien bezig met keuzemodules voor studenten in hun vrije profileringsruimte. De één is bedoeld voor studenten die denken: ik ben hoogbegaafd, hoe functioneer ik beter in mijn studie en mijn toekomstige werk? De andere is voor studenten die in hun toekomstige beroep te maken krijgen met hoogbegaafde cliënten, patiënten, medewerkers of leerlingen.”

Sietske: “Daarnaast is hoogbegaafdheid nu opgenomen in het curriculum van de tweedegraads lerarenopleiding, het is opgenomen in een tweedejaarsvak. Ondertussen werken we ook samen met het Student Supportcentrum van Windesheim, waar een van de studentpsychologen de ECHA-opleiding heeft gedaan. Studenten van alle opleidingen kunnen daar terecht.”
Wat hebben hoogbegaafde studenten en leerlingen het meest nodig?

Rinske: “Ik denk sowieso erkenning en herkenning. Omdat het zo’n klein clubje aan het uiteinde van de normaalverdeling is, is de diversiteit binnen die groep enorm. Docenten en leerkrachten moeten zich realiseren dat er geen pasklare oplossing is. Je moet altijd kijken: wat is voor deze student, in die situatie, op dit moment helpend?”

Sietske: “Als je één hoogbegaafde hebt gezien, dan heb je er één gezien. Niets meer dan dat. Stel je bij elke nieuwe casus open, blijf je verbazen en verwonderen.”

Rinske: “Precies. Zoals bij elke student die ik spreek zeg ik: oké, we gaan de eerste paar keer eerst puzzelstukjes verzamelen. Hoe zit jij in elkaar? Hoe werk jij? En we gaan dingen uitproberen om te kijken of dit bij jou werkt. Dat vinden ze soms heel fijn en soms heel lastig, omdat ze eigenlijk een pasklare oplossing van mij verwachten.”

Wat voor studenten komen er bij jullie over de vloer?

Sietske: “We krijgen alles binnen. Studenten die al heel lang weten dat ze hoogbegaafd zijn en er heel goed handen en voeten aan kunnen geven. Studenten die het weten, maar al tien keer zijn vastgelopen.”

Rinske: “En studenten die er tijdens hun opleiding pas achterkomen dat ze hoogbegaafd zijn. Met sommigen daarvan krijg je bijna een soort rouwverwerking op je bord: had ik dit maar eerder geweten, dan had mijn route er heel anders uit kunnen zien.”


En die route zit vaak vol misverstanden?

Rinske: “Wat we zeker ook zien, is dat er scholen zijn die denken goed ingericht te zijn op hoogbegaafdheid, maar die eigenlijk alleen de succesvolle vwo-leerlingen bedienen. De leerlingen met de goede cijfers mogen naar de plusklas, of andere aanvullende voorzieningen. Maar de hoogbegaafde studenten die die hoge cijfers niet halen, komen daar niet voor in aanmerking.”

Sietske: “Ik heb daar een mooi voorbeeld van. Een student die in jaar twee de vakken haalde en in jaar één niet, en daardoor een bindend studieadvies dreigde te krijgen. Dat is toch een beetje gek, dat je tweedejaarsvakken letterlijk met negens haalt en je eerstejaarsvakken gewoon niet.

Toen ik met de vakdocent meedacht, zei ik: ik weet niks van jouw vakgebied, dus ik wil gewoon zo’n eerstejaarstentamen samen met jou en met de student hardop doen. Ik stel de vragen, jij hoeft alleen naar de antwoorden te luisteren. Na een kwartier zei die docent: stop maar, ik heb genoeg gehoord. Hij geeft steeds het goede antwoord, daarna neemt hij een rare afslag.  Wat bleek, de student dacht steeds: dit antwoord kan het niet zijn, dat is te simpel. Hij gaf prachtige redeneringen die net iets te complex waren, waardoor hij ergens een foutje maakte en er een gek antwoord uit kwam, terwijl hij de stof prima snapte.”

Wat is hoogbegaafdheid voor jullie?

Sietske: “Dat is bijna een gewetensvraag. Bij het eerste college van de post-HBO staat die vraag letterlijk op het programma: wat is nu hoogbegaafdheid? We laten alle modellen daarop los. Wij werken met het Delphi-model, dat beschrijvingen breed samenvat. Maar daarvan zeggen we altijd: ook dit is geen sluitende definitie. Je kunt er allerlei kanttekeningen bij plaatsen.”

Rinske: “En dat vinden onze studenten soms heel vervelend. Die willen graag een duidelijk afgebakende definitie, zodat ze kunnen zeggen: dit is het en dit is het niet. Maar wij zeggen: je moet zelf met behulp van goede bronnen kijken hoe jij hoogbegaafdheid definieert binnen jouw schoolcontext. En wat daar wel en niet onder valt. Daarom bieden we al die modellen aan met een kritische blik op wat er gepubliceerd wordt.”

Jullie richten je niet alleen op het onderwijs, maar ook op bedrijven.

Sietske: “Dat is vanuit verschillende kanten ontstaan. Collega’s hier werden binnen bedrijven met dit soort vragen geconfronteerd en klopten bij ons aan: hebben jullie daar een antwoord op? Maar we dachten ook onszelf: we helpen studenten hier slagen, maar wat gebeurt er als ze bij ons weggaan en in het bedrijfsleven terechtkomen?

Er zijn mooie boeken over verschenen en het zijn vaak dezelfde thema’s die relevant zijn: bore-out, conflicten of als arrogant gezien worden in de organisatie. Dat is eigenlijk zonde. Want als hoogbegaafden succesvol aan de slag kunnen, zijn het mensen waar je als bedrijf heel veel aan hebt.”

Rinske: “Bedrijven herkennen deze mensen meestal niet. Als jij een bepaald standaardbeeld hebt van wat een hoogbegaafde is, dan lopen die inderdaad niet heel veel rond. Maar vraag op welke plek dan ook aan een HR-medewerker: zijn er mensen die vaak in conflict zijn met hun leidinggevende, die als te kritisch en te eigenwijs worden gezien? Dan kunnen ze altijd wel een paar namen noemen. Ook mensen die met een onverklaarbare burn-out thuis zitten, of die na twee, drie jaar alweer verdwijnen, terwijl ze het eigenlijk heel goed deden.”

Voor onze bedrijventrajecten betrekken we mensen met kennis van zaken uit andere Windesheim-domeinen: business, technische bedrijfskunde, beïnvloedingscommunicatie. Want als je met een onderwijsachtergrond binnenkomt in een zakelijke omgeving, kun je andere inhoud bijdragen dan een bedrijfskundige kan. Binnenkomen doen we dan ook in koppels.”

Tot slot: jullie zijn nu Talent Point. Waarom zijn jullie dat geworden? En wat hopen jullie eruit te halen?

Rinske: “Waar ik zelf heel blij mee ben, is dat je onderdeel bent van een Europees netwerk en dat je met elkaar samenwerkt om hoogbegaafdheid op een goede, kwalitatief hoogwaardige manier op de kaart te zetten.”

Sietske: “Ja, en dat je elkaar daarmee versterkt. Wij zoeken intern binnen Windesheim soms naar mensen met specifieke kennis. In zo’n talent point network wéét je: oh, maar die kan dat. Dat is het grote voordeel: je kunt elkaar versterken.”
Rinske: “Het zorgt ervoor dat je niet overal zelf het wiel hoeft uit te vinden, maar dat je van elkaar de dingen die werken kunt overnemen en daarop voortbouwen. Op de schouders van reuzen staan, en met elkaar kijken hoe we nog een stapje verder kunnen zetten.”