Lineke van Tricht: ‘Maak leerlingen bewust van hun talent’

Lineke van Tricht zette zich met Bureau Talent 18 jaar lang in voor hoogbegaafde leerlingen. Het bureau heeft ze overgedragen, ze doet nu onderzoek naar hoogbegaafdheid en kansengelijkheid: ‘We missen een hele doelgroep.’ Bureau Talent is lid van de NTCN-klankbordgroep.

Lineke van Tricht begon haar loopbaan als docent Engels en Nederlands. ‘Ik ben gefascineerd door de leeftijdsgroep van 12 tot 18 jaar,’ vertelt ze. ‘In die periode gebeurt zoveel: cognitieve groei, identiteitsontwikkeling, het afzetten tegen je ouders. Het is een fase waarin jongeren ontdekken wie ze zijn en wat ze willen.’

Na een jaar of tien voor de klas te hebben gestaan kwam de overstap naar schoolleider op het Amstelveen College. “Via de plusklas kwam ik voor het eerst in aanraking met hoogbegaafde leerlingen. Ik raakte gefascineerd door deze groep en wilde graag dat ze zich goed konden ontwikkelen. Blijkbaar ging dat niet voor alle hoogbegaafde leerlingen vanzelf. Wat kun je als school daaraan doen?.”

Haar interesse voor hoogbegaafdheid ontstond toen ze als schoolleider in aanraking kwam met de plusklas op school. “In mijn eerste jaar als schoolleider hadden we een leerling van wie duidelijk was dat zij hoogbegaafd was. Daar hadden we toen niet zo goed een antwoord op, we zijn met haar en haar ouders om de tafel zijn gegaan. Het bleek dat zij heel graag één dag per week stage wilde lopen bij een dierenarts. Dat hebben we toen gedaan. Alleen al dat ze die mogelijkheid had, hielp om het op school beter te doen.”

Door die leerling realiseerde Van Tricht zich dat standaard-protocol niet het antwoord was voor hoogbegaafden. “Je bent steeds aan het kijken wat er werkt voor die specifieke leerling. Het maakte mij erg nieuwsgierig. Al vrij snel ben ik het ECHA-handboek gaan lezen, uiteindelijk ben ik ook die opleiding gaan doen.” Het was Minka Dumont, die haar daartoe aanzette. “Zij werkte voor onze school. Ik stelde haar heel veel vragen over de plusklas en hoogbegaafde leerlingen. ‘Waarom ga je de ECHA-opleiding niet doen’, zei ze. Dat is echt iets voor jou’. En dat heb ik dus gedaan.”

De start van Bureau Talent: verrijkingsmateriaal

In 2008 nam Van Tricht een radicale stap: ze richtte Bureau Talent op. “Ik wilde zelf aan de knoppen draaien,’ legt ze uit. ‘Het vaste stramien van een schooljaar voelde als een keurslijf: altijd dezelfde toetsweken, dezelfde open dagen, dezelfde feestdagen. Ik wilde meer vrijheid om creatiever te worden. Dat werd Bureau Talent.”

Door de ECHA-opleiding en gesprekken in het veld kwam Van Tricht erachter dat er nauwelijks goed verrijkingsmateriaal was voor hoogbegaafde leerlingen in het voortgezet onderwijs. “En al helemaal niet voor leerlingen die niet in het traditionele bèta-plaatje pasten. In één zomervakantie heb ik vijf verrijkingsprojecten ontwikkeld, variërend van ondernemerschap tot het absolute nulpunt. Ik koos bewust voor onderwerpen die niet in het curriculum zaten, maar die leerlingen wel boeiden. Ik wilde laten zien dat hoogbegaafdheid niet alleen over IQ gaat, maar ook over creativiteit, motivatie en passie.”

De start van Bureau Talent was spannend. ‘Ik moest koude acquisitie doen,’ vertelt Van Tricht. ‘Ik belde Begaafdheidsprofielscholen en Leonardo-scholen op, en gelukkig waren er scholen die blij waren met mijn aanbod.’ De eerste leerlingen die met haar projecten werkten, waren verrast: ‘Ze dachten dat ze weer een saai boekje kregen om op de gang te zitten. Maar mijn projecten waren digitaal en actueel, 18 jaar geleden was dat echt nieuw.’

Docenten trainen

Al snel kwam de vraag of ze ook docenten kon trainen. “In die tijd boden organisaties als de Leonardo Stichting wel een predicaat aan, maar geen echte training of materiaal. Scholen waren dus blij met mijn expertise.” Toen Van Tricht begon met het trainen van docenten, had ze al een duidelijke visie. “Ik had zelf zoveel slechte studiedagen meegemaakt, dat ik besloot: als ik docenten ga trainen, dan moet ik het wel goed doen. Mijn uitgangspunt was Practice what you preach. Als je docenten wilt leren differentiëren, dan moet je dat zelf ook doen in je trainingen.”

Haar trainingen waren niet alleen theorie, maar vooral praktijkgericht. “Docenten willen aan het eind van de dag iets in handen hebben wat ze de volgende dag direct kunnen toepassen,” vertelt ze. Toch was niet elke docent hetzelfde. ‘Sommigen willen graag theoretische verdieping, anderen willen gewoon een recept: zo moet je het doen. Daarin moet je differentiëren.”
Praktijkgericht betekende voor Van Tricht ook het gebruik van voorbeelden uit de school. “Ik verzamelde verhalen van docenten die mijn methoden hadden toegepast: lessen die ze hadden gecompact, verrijkingsmateriaal dat ze hadden gemaakt. Die voorbeelden kwamen rechtstreeks uit de klas. Dat werkte het best.”

Begeleiden van leerlingen

Naast trainingen begon ze ook individuele leerlingen te begeleiden. “In het begin waren dat vooral leerlingen die niet wisten hoe ze moesten leren, omdat alles altijd vanzelf ging. Maar gaandeweg kwamen er complexere casussen bij.” Van Tricht leerde dat trouw en betrouwbaarheid essentieel zijn. “Zelfs als een leerling enorm tegenwerkt, moet je de volgende keer gewoon weer aanwezig zijn. Zo weet de leerling: ik kan raar doen, maar zij blijft.”

Soms werkt Van Tricht samen met psychologen. “Zij hebben andere kennis dan ik, en dat is erg leerzaam. Ik herinner me een leerling die in een re-integratietraject zat. Haar psycholoog gebruikte op een gegeven moment provocatieve elementen: ‘Ja, naar school gaan is eng. Blijf maar thuis, dat is veiliger’. Voor Van Tricht was dit een eyeopener. “Ik denk dat de twee disciplines elkaar erg mooi kunnen aanvullen, wat die psycholoog kan, kan ik niet. En ik heb weer kennis en ervaring die zij niet hebben. Zorg en onderwijs zouden wat mij betreft meer moeten samenwerken om hoogbegaafde leerlingen tot bloei te laten komen.’

Kansengelijkheid: ‘We missen een hele doelgroep’

Van Tricht merkte in de loop van de jaren dat de leerlingen met zij werkte erg vaak dezelfde achtergrond hadden. “Het waren voornamelijk kinderen met hoogopgeleide ouders. Dat voelde niet goed. Ik dacht: we missen een hele doelgroep.”
Dit inzicht dreef haar aan om zich in te zetten voor kansengelijkheid in hb-onderwijs. “Dat komt ook door mijn eigen achtergrond. Mijn moeder komt uit een arbeidersgezin. Haar vader vond het heel belangrijk dat zijn dochters gingen doorleren. Ik zie ook hoe moeilijk het kan zijn voor eerste generatiestudenten.”

Van Tricht initieerde Erasmus+-projecten om hoogbegaafde leerlingen uit lagere sociaal-economische milieus op te sporen en te begeleiden. ‘We gebruikten non-verbale intelligentietests, zoals de COVAT, om leerlingen te identificeren die anders onder de radar zouden blijven. Een groot gedeelte van die leerlingen bleek niet op het vwo te zitten, maar op de havo of zelfs vmbo. Voor hen was het een grote verrassing om te horen dat ze een bovengemiddelde cognitieve aanleg hadden.”

Bewust zijn van je talent

Haar promotieonderzoek richt zich op de motivatie van hoogbegaafde 15-jarigen uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status. “Veel van deze leerlingen hebben te maken met vooroordelen en een gebrek aan rolmodellen. Ze weten niet wat ze kunnen bereiken. Leerlingen moeten zich bewust worden van hun talent en leren groter te denken.” Het kennen van de academische taal is daarbij een belangrijke voorwaarde. “Leerlingen uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status hebben vaak niet de woordenschat om hun cognitieve talent te laten zien. Woorden als analyse, tegenargument en desalniettemin zijn essentieel om succesvol te zijn in bijvoorbeeld het vwo.”

De komende jaren gaat Van Tricht verder in de wetenschap. “Ik vind onderzoek doen een mooi ambacht, en ik wil het tot in de puntjes beheersen. Dat red je niet in de zes jaar dat ik nu bezig ben. Er zijn nog zoveel onderwerpen en onderzoekstechnieken die ik wil leren.” Ze initieerde ook een Special Interest Group binnen de ECHA Europe, gericht op kansengelijkheid in begaafdenonderwijs. “Er is weinig Europees onderzoek naar dit thema. We willen een multilinguale literatuurstudie doen om te zien wat er in verschillende landen speelt. Uiteindelijk hopen we een Europese onderzoeksagenda op te stellen.”

Meer weten over haar onderzoek naar hoogbegaafdheid en kansengelijkheid?

Hoogbegaafd en leesproblemen: een andere blik op ontwikkeling

Hoogbegaafde kinderen kunnen alles, toch? Kim Lijbers, onderzoeker bij POINT, weet wel beter. Haar onderzoek naar hoogbegaafde leerlingen met leesproblemen toont aan dat talent en leesvaardigheid niet altijd hand in hand gaan. En dat dat oké is.

“Na de academische pabo in Utrecht, gecombineerd met een bachelor onderwijskunde, heb ik de master onderwijswetenschappen gevolgd. Daarna kwam ik terecht op een school voor hoogbegaafde kinderen in mijn eigen regio. Ik was eerst onzeker: zou deze doelgroep bij me passen? Maar na een dag meelopen was ik verkocht. De dynamiek, de diepgang, de manier waarop deze kinderen dachten, het sprak me enorm aan. Ik verdiepte me in het onderwerp en ontdekte al snel dat er nog zoveel te leren viel.

Bijvoorbeeld dat de vooroordelen over deze groep groot waren. Hoogbegaafde kinderen kunnen alles, toch? Dat klopte niet. Wat ik wel zag, waren kinderen met unieke behoeften, die niet altijd werden begrepen.
Mijn oorspronkelijke plan was om leerkracht te blijven. Tot POINT op mijn pad kwam. Drie jaar lang coördineerde ik een werkplaats in Den Bosch, waar wetenschappelijk onderzoek en onderwijspraktijk samenkomen. En toen was de stap naar promotieonderzoek snel gezet.

Discrepante lezers: een vergeten groep

Mijn onderzoek komt voort uit mijn scriptie, het richt zich op een bijzondere groep: hoogbegaafde kinderen die moeite hebben met lezen, maar niet voldoen aan de criteria voor dyslexie. We noemen ze discrepante lezers: kinderen met een hoog IQ, maar een leesvaardigheid die daar niet bij past. Deze groep valt vaak tussen wal en schip: ze krijgen geen diagnose, en dus ook geen passende begeleiding, terwijl ze wel frustratie kunnen ervaren.

Tijdens mijn scriptie ben ik begeleid door Arjan van Tilborg (docent aan de pabo, Hogeschool Leiden). Anouke Bakx (lector Goed leraarschap, Goed leiderschap, Fontys Hogeschool) en Sietske van Viersen (onderzoeker Pedagogiek in Diverse Samenlevingen, Universiteit Utrecht) zijn daar bijgekomen toen ik mijn scriptie om ging zetten naar een wetenschappelijke paper. Sietske was voor mij een groot voorbeeld, zij is gepromoveerd op het onderwerp dyslexie en hoogbegaafdheid.

Uit ons onderzoek bleek iets verrassends. We keken naar zwaktes op gebieden die vaak geassocieerd worden met dyslexie, zoals fonemisch bewustzijn (het herkennen van klanken in woorden), benoemsnelheid en verbale kortetermijngeheugen. Maar deze kinderen lieten geen extra zwaktes zien ten opzichte van hoogbegaafde kinderen zonder leesproblemen. Ook toonden ze geen bijzondere sterktes op deze gebieden. Hun prestaties waren simpelweg gemiddeld. Toch kunnen ze het lezen als een probleem ervaren. En dat heeft alles te maken met verwachtingen.

Van hoogbegaafde kinderen wordt vaak aangenomen dat ze overal goed in zijn. Ouders, leerkrachten en de kinderen zelf verwachten dat ze uitblinken, ook in lezen. Als dat niet het geval is, ontstaat frustratie. Maar het is zeker niet vanzelfsprekend dat hoogbegaafde kinderen goed kunnen lezen. De correlatie tussen intelligentie en leesvaardigheid is hoogstens gemiddeld, niet hoog. Sommige kinderen hebben gewoon tijd nodig. Andere ontdekken pas later de motivatie om te lezen. En dat is oké.

Een andere aanpak: focus op talent

In het onderwijs zien we vaak dat we ons richten op het wegwerken van zwaktes: ‘Dit kan een kind niet, dus daar moeten we extra mee oefenen’. Dat is op zich niet verkeerd, maar we vergeten soms om te kijken naar waar een kind wel goed in is. Voor hoogbegaafde kinderen (eigenlijk voor alle kinderen) is het essentieel om oog te houden voor hun talenten. Want als je alleen hoort wat je niet kunt, daalt je competentiegevoel. En dat raakt niet alleen de motivatie, maar ook het welbevinden.

Voor discrepante lezers betekent dit een andere benadering. In plaats van te focussen op het verbeteren van leesvaardigheid (wat vaak niet helpt, omdat er geen onderliggende zwakte is), kun je beter kijken naar hun ambities. Wat willen ze bereiken? Wat drijft ze? Hoe kan lezen daarin een rol spelen, of juist minder centraal staan? Door lezen te koppelen aan hun interesses en sterke punten, wordt het ineens een aangenamere taak. Psycho-educatie is hier ook belangrijk: uitleggen dat je niet overal goed in hoeft te zijn, zelfs als je hoogbegaafd bent.

Mijn boodschap is simpel: kijk verder dan de zwaktes. Kijk naar het kind, niet het label. En onthoud: een kind dat niet goed kan lezen, is niet per definitie een kind met een probleem. Soms heeft het gewoon tijd, motivatie of een andere benadering nodig.”

Meer weten?

Onderzoek naar hoogbegaafdheid in het onderwijs: een gesprek met Kim Smeets

Hoogbegaafdheid in het onderwijs is een thema dat vaak (onbewuste) vooroordelen en misvattingen met zich meedraagt. Hoe kijken leerkrachten aan tegen hoogbegaafde leerlingen? Hoe beïnvloedt intelligentie de relatie tussen leraar en leerling? En hoe kunnen scholen leraren beter toerusten om deze doelgroep te herkennen en te begeleiden? Kim Smeets, onderzoeker en coördinator bij POINT, heeft in vier onderzoeken, die deel uitmaken van haar proefschrift, gekeken naar de kennis, houdingen en praktijk van leerkrachten ten aanzien van hoogbegaafdheid.

“Tijdens mijn stage voor mijn master hield ik interviews met (leerlingen van) scholen die deelnamen aan de subsidieregeling ‘doorstroomprogramma’s po-vo’. Daar kwam ik veel hoogbegaafde leerlingen tegen. Ik merkte dat ik zelf ook vooroordelen had: hebben deze leerlingen dat echt nodig? Maar na verdieping en gesprekken met betrokkenen, realiseerde ik me dat deze leerlingen juist extra aandacht verdienen.

Ik werk bijna zes jaar als onderzoeker en coördinator bij POINT, eerst in Eindhoven (POINT040) en nu in de Zaanstreek. Bij POINT werken we met een praktijkgerichte aanpak. Al onze onderzoeksthema’s komen voort uit vraagstukken waar scholen in de werkplaatsen tegenaan lopen. We zitten met groepen bij elkaar, inventariseren knelpunten rondom het onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen en nemen dat mee in onderzoeksvragen.”

Onderzoek 1 – Kennis en houding van leerkrachten

“Mijn eerste onderzoek richt zich op de kennis en houdingen van basisschoolleerkrachten ten aanzien van hoogbegaafdheid. Via vragenlijsten onderzocht ik wat leerkrachten weten en hoe ze aankijken tegen deze doelgroep. Mijn belangrijkste bevindingen zijn:

  • Over het algemeen hebben leerkrachten redelijk veel kennis en zijn hun houdingen positief.
  • Er zijn echter grote verschillen: sommige leerkrachten scoren bijna alle vragen goed, terwijl anderen veel onzekerheid of misvattingen tonen.
  • Misvattingen doen zich met name voor over de sociale en emotionele ontwikkeling van hoogbegaafde leerlingen.
  • Professionaliseringsbehoeften zijn groot, maar juist de leerkrachten die het meest behoefte hebben aan bijscholing, tonen het minste interesse.
  • We zien dat leerkrachten vooral korte, praktische workshops willen, vooral op school. Maar uit onderzoek weten we dat langdurige, actieve leertrajecten het meest effectief zijn.”

Meer weten over dit onderzoek?

Onderzoek 2 – Vooroordelen bij het inschatten van cognitieve vaardigheden

“In mijn tweede onderzoek heb ik de inschattingen van leerkrachten en ouders over de cognitieve vaardigheden van leerlingen/hun kinderen vergeleken met de daadwerkelijke cognitieve vaardigheden van leerlingen. Deze waren gemeten via een aantal tests. Mijn belangrijkste bevindingen zijn:

  • Leerkrachten kunnen cognitieve vaardigheden tot op zeker hoogte goed inschatten.
    Er zijn echter systematische, onbewuste vooroordelen:
  • Leerlingen met het label ‘hoogbegaafd’ worden hoger ingeschat dan leerlingen met vergelijkbare capaciteiten zonder label.
  • Leerlingen met andere specifieke onderwijsbehoeften (bijv. dyslexie) worden juist lager ingeschat.
  • Leerlingen met een hogere sociaal-economische achtergrond worden hoger ingeschat dan leerlingen met vergelijkbare capaciteiten met een lagere sociaal-economische achtergrond.
  • Ouders vertonen dezelfde bias als leerkrachten, behalve bij sociaal-economische status: daar zien we de vooroordelen alleen bij leerkrachten.
  • Dit sluit aan bij breder onderzoek naar kansgelijkheid in het onderwijs. Leraren handelen vaak onbewust, maar het is wel degelijk een probleem.”

Meer weten over dit onderzoek?

Onderzoek 3 – De relatie tussen leraar en leerling: speelt intelligentie een rol?

“Ook onderzocht ik of leerlingen met verschillende intelligentieniveaus hun relatie met de leraar anders ervaren. Om dat onderzoek te kunnen doen hebben we de leerlingen in drie groepen verdeeld: de 10% hoogst scorenden op een intelligentietest, de 10% laagst scorenden, en een gemiddelde groep. De belangrijkste bevindingen:

  • Over het algemeen ervaren leerlingen een goede relatie met hun leraar, gekenmerkt door nabijheid en weinig conflict.
  • Leerlingen met de hoogste intelligentie scores ervaren geen andere relatie dan gemiddelde leerlingen.
  • Leerlingen met lage scores ervaren meer conflict, maar niet minder nabijheid.
  • Intelligentie speelt geen grote rol in de leraar-leerlingrelatie: andere factoren (bijv. persoonlijkheid, gedrag) zijn mogelijk bepalender.
  • Uit eerder onderzoek blijkt wel dat hoogbegaafde leerlingen soms andere wensen hebben aan een leraar, maar in de ervaren relatie zien we dat niet terug.”

Dit onderzoek is nog niet gepubliceerd

 

Onderzoek 4 – enIQma: een professionaliseringsspel voor leerkrachten

“Om leerkrachten beter toe te rusten, hebben we bij POINT enIQma ontwikkeld, een professionaliseringsspel gericht op het vergroten van kennis en het doorbreken van vooroordelen over hoogbegaafdheid. Het spel is opgebouwd uit drie onderdelen:

  • Feit of fabel: Kaartjes met stellingen over hoogbegaafdheid. Leerkrachten discussiëren of een stelling waar is en waarom, waarna het antwoord wordt onthuld.
  • Casus en onderzoek: Een spelbord gebaseerd op handelingsgericht werken. Leerkrachten analyseren casussen, herkennen kenmerken van hoogbegaafdheid en bespreken onderzoeksmethoden en de resultaten van deze onderzoeken.
  • Methodiek: Leerkrachten doorlopen het onderdeel ‘casus en onderzoek’ met een echte casus en maken een handelingsplan.

Het spel hebben we getest bij pabostudenten. Die hebben we in twee groepen verdeeld: de een kreeg een hoorcollege over hoogbegaafdheid, de andere groep speelde het spel. Vooraf aan de onderwijsactiviteit en na afloop hebben we kennis en houding van de studenten onderzocht. Beide groepen toonden een kennistoename, alleen het hoorcollege leidde tot een positieve houdingsverandering; bij eniqma bleef de houding onveranderd.

We zien dat het spel werkt, maar dat de manier van inzet belangrijk is. Er moet iemand bij zijn die de discussie begeleidt en zorgt voor diepgang.

Meer weten over dit onderzoek?

Meer weten?

De onderzoeken van Kim Smeets (en haar collega’s) zijn terug te vinden in praktijkartikelen en factsheets op de website van POINT.

Drie POINT-wetenschappers over hun praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek

Hoe kunnen leerkrachten beter inspelen op de behoeften van hoogbegaafde leerlingen? Wat werkt echt bij het stimuleren van leesmotivatie? En hoe zorgen we ervoor dat elke leerling het beste uit zichzelf haalt? Bij de onderwijsonderzoekswerkplaats POINT werken drie onderzoekers aan antwoorden op deze vragen. Roeline Bijl, Kim Vogels – Lijbers en Kim Smeets delen hun inzichten en onderzoeken.

Roeline Bijl: professionalisering van leerkrachten op het gebied van hoge verwachtingen en differentieel gedrag

Ik ben Roeline Bijl en ik werk als onderzoeker bij de onderwijsonderzoekswerkplaats POINT. Daarnaast werk ik als orthopedagoog bij CBO Talent Development in Nijmegen. Vanuit POINT mag ik promotieonderzoek doen naar de professionalisering van leerkrachten op het gebied van hoge verwachtingen en het differentiële gedrag dat daaruit voortkomt. Dit doe ik onder begeleiding van mijn promotor prof. dr. Anouke Bakx en mijn copromotoren dr. Linda van den Bergh en dr. Jessie Hillekens.

Mijn eerste studie is intussen afgerond, dat is een reviewstudie om inzicht te krijgen in welke professionalisering al is gedaan en wat daarin werkt. Op basis daarvan hebben we een professionaliseringstraject opgezet, wat we onderzoeken op effectiviteit voor leerkrachten en leerlingen.

Kim Vogels – Lijbers: hoogbegaafdheid en lezen

Ik ben Kim Vogels-Lijbers en werk als onderzoeker en coördinator bij de onderwijsonderzoekswerkplaats POINT. Ook werk ik een dag in de week als leerkracht op een basisschool. Vanuit POINT mag ik promotieonderzoek doen naar hoogbegaafdheid en lezen. Dit doe ik onder begeleiding van mijn promotor prof. dr. Anouke Bakx en mijn copromotor dr. Sietske van Viersen.

Mijn eerste studie is intussen afgerond en richt zich op het cognitieve profiel van hoogbegaafde discrepante lezers in het basisonderwijs. Mijn tweede studie richt zich op de percepties van ouders en leerkrachten op de cognitieve capaciteiten van kinderen met dyslexie. Deze studie ligt nu ter beoordeling bij een wetenschappelijk journal. Momenteel werk ik aan studies die zich richten op welke factoren leesmotivatie van basisschool kinderen bevorderen en of deze factoren verschillen voor kinderen met dyslexie of kinderen met kenmerken van hoogbegaafdheid.

Kim Smeets: expertise en professionalisering van po-leerkrachten aan hb-leerlingen

Ik ben Kim Smeets en werk als onderzoeker en coördinator bij de onderwijsonderzoekswerkplaats POINT. Vanuit POINT doe ik promotieonderzoek naar de expertise en professionalisering van leerkrachten in het onderwijs aan hoogbegaafde basisschoolleerlingen. Prof. dr. Anouke Bakx is mijn promotor en dr. Ellen Rohaan en dr. Sanne van der Ven zijn mijn copromotoren.

Ik heb inmiddels mijn proefschrift afgerond en verdedig deze in juni. De studies uit mijn proefschrift richten zich op: de oordelen die leerkrachten hebben over de cognitieve vaardigheden van zowel hoogbegaafde als andere leerlingen; de samenhang tussen intelligentie, de leerkracht-leerling relatie en de oordelen van leerkrachten over de intelligentie van leerlingen; de kennis en houding van basisschoolleerkrachten ten aanzien van hoogbegaafde leerlingen; en het ontwerp en de effectiviteit van een professionaliseringsspel gericht op hoogbegaafdheid.

 

Onderzoek Project Talent: Oorzaken en oplossingen onderpresteren bij hoogbegaafde jongens

Niet alle cognitief sterk functionerende leerlingen halen op school de resultaten die bij hun potentieel passen. Met name jongens lopen soms vast: ze verliezen motivatie, gaan onderpresteren en vermijden schoolwerk. Project Talent deed onderzoek dat aantoont dat er diepere oorzaken zijn, zoals een laag zelfbeeld of het gevoel dat school geen betekenis heeft.

Twee paden naar onderpresteren

De onderzoekers baseerden zich op het Pathways to Underachievement Model (PUM) van Snyder en Linnenbrink-Garcia (2013). Dit model onderscheidt twee routes:

  • Maladaptive Competence Beliefs Pathway – Jongeren geloven dat intelligentie vastligt en dat fouten maken bewijst dat ze “niet slim genoeg” zijn. Ze vermijden moeilijke taken of stellen werk uit. Dit gedrag, ook wel zelfhandicapping genoemd, beschermt hun zelfbeeld op korte termijn, maar versterkt onderpresteren op lange termijn.
  • Declining Value Beliefs Pathway – Jongeren verliezen het gevoel dat school zinvol is. Ze ervaren vakken als saai of nutteloos, vooral als ze geen verband zien met hun interesses of toekomstplannen. Dit leidt tot afnemende motivatie en een grotere afstand tot school.

Onderzoeksmethode

Acht hoogbegaafde jongens (IQ ≥ 120) van 13 tot 16 jaar volgden een begeleidingsprogramma van vijf wekelijkse sessies. Vier jongeren richtten zich op het ontwikkelen van een groeimindset en het omgaan met fouten, terwijl de andere vier werkten aan het (her)ontdekken van persoonlijke waarden en interesses en het verbinden daarvan met schooltaken.

Resultaten

De begeleiding had positieve effecten:

  • Minder faalangst en uitstelgedrag bij jongeren die werkten aan een groeimindset.
  • Meer motivatie en betrokkenheid bij jongeren die schooltaken opnieuw betekenis gaven.
  • Positieve veranderingen opgemerkt door ouders en leerkrachten, zoals actievere deelname en consequenter huiswerkgedrag.

Niet elke jongere reageerde even sterk, wat benadrukt dat maatwerk essentieel is.

Identiteitsontwikkeling als sleutel

Onderpresteren hangt niet alleen samen met motivatie, maar ook met identiteitsontwikkeling. School moet aansluiten bij de persoonlijke waarden en toekomstbeelden van jongeren. Interventies die hierop focussen, zoals reflectie-oefeningen en gesprekken over interesses, kunnen onderpresteren doorbreken

  • Onderpresteren is geen luiheid: Het kan voortkomen uit angst om te falen of verlies van betekenis. Begrip en dialoog zijn belangrijker dan straffen.
  • Persoonlijke aansluiting: Een gesprek over hobby’s of toekomstplannen kan meer motivatie opwekken dan een extra taak.
  • Stimuleer een groeimindset: Benadruk inspanning en vooruitgang in plaats van enkel eindresultaten.

Lees hier meer over het onderzoek…

Hoogbegaafdheid in alle levensfasen. Inauguratierede van Anouke Bakx

In haar inaugurale rede ‘Hoogbegaafdheid… to the POINT!’ pleitte Anouk Bakx voor meer aandacht voor hoogbegaafdheid in alle levensfasen, van jonge kinderen tot senioren, en voor het wegnemen van misconcepties en ongelijkheid. Ze sprak de rede uit op vrijdag 6 februari 2026 bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Hoogbegaafdheid, Transities en Maatschappelijke Impact aan Tilburg University. Deze nieuwe bijzondere leerstoel is mogelijk gemaakt door de Stichting Mensa Fonds.

In haar rede benadrukte Bakx dat hoogbegaafdheid niet alleen een kwestie is van een hoog IQ, maar een dynamisch en levenslang ontwikkelingsproces, dat beïnvloed wordt door de interactie tussen het individu en de omgeving. Dat noemen we person-environment-fit: de afstemming tussen de behoeften en mogelijkheden van hoogbegaafde individuen en de kansen, mogelijkheden, ondersteuning en eventuele beperkingen uit hun omgeving. Een goede match is essentieel voor optimale ontwikkeling en welbevinden.


Foto: Ineke Stofmeel (via Stichting Mensa Fonds)

Jonge kinderen: ontwikkelingsvoorsprong herkennen

Uit onderzoek binnen de POINT-onderzoekswerkplaatsen bleek dat professionals in de kinderopvang en groep 1-2 van de basisschool vaak nog te weinig kennis hebben om een ontwikkelingsvoorsprong tijdig te signaleren. Dit kan leiden tot een mismatch tussen het kind en de omgeving, met mogelijke sociale, emotionele of cognitieve gevolgen. Bakx benadrukte het belang van betere opleiding en bewustwording voor professionals in de kinderopvang.

Basisschool en voortgezet onderwijs: passend onderwijs en transitie

De overgang naar de basisschool en later naar het voortgezet onderwijs zijn cruciale momenten. Bakx wees op het belang van onder andere compacten, verrijken en versnellen in het onderwijs, evenals het samenbrengen van hoogbegaafde leerlingen met ontwikkelingsgelijken. Dit bevordert niet alleen hun cognitieve ontwikkeling, maar ook hun zelfbeeldontwikkeling. Toch worden bepaalde groepen, zoals kinderen met een migratieachtergrond of dubbel bijzondere leerlingen nog te vaak over het hoofd gezien.

Studie en werk: autonomie en zingeving

Voor hoogbegaafde studenten en jongvolwassenen is de transitie naar studie en werk een nieuwe uitdaging. Bakx benadrukte dat zelfinzicht, motivatie en een stimulerende leeromgeving cruciaal zijn. In het werkzame leven kunnen hoogbegaafde volwassenen frustratie ervaren als hun behoefte aan autonomie, diepgang en creativiteit niet wordt vervuld. Dit kan leiden tot onderbenutting van talent of zelfs bore-out. Bakx pleitte voor meer ruimte voor job crafting en autonomie-ondersteunend leiderschap, zodat hoogbegaafden hun potentieel kunnen benutten.

Hoogbegaafde senioren: generativiteit en levensvoldoening

Een relatief onbekend terrein is hoogbegaafdheid op latere leeftijd. Bakx wees op het belang van generativiteit: de behoefte om kennis en ervaring door te geven aan jongere generaties. Hoogbegaafde senioren blijven vaak lang cognitief actief en kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan innovatie en maatschappelijke vraagstukken. Toch is er nog weinig onderzoek naar hun specifieke behoeften en uitdagingen, zoals eenzaamheid of het vinden van gelijkgestemden.

Onderzoeksagenda: naar een inclusievere samenleving

Bakx sloot haar rede af met een oproep tot meer onderzoek en samenwerking tussen wetenschap, praktijk en beleid. Centraal staat de vraag: ‘Welke mechanismen en condities bevorderen een optimale wisselwerking tussen hoogbegaafde individuen en hun omgeving?’ Haar doel is om de POINT-methodiek, oorspronkelijk ontwikkeld voor het onderwijs, uit te breiden naar volwassenen en senioren. Zo hoopt ze bij te dragen aan een samenleving waarin hoogbegaafd potentieel in alle levensfasen wordt herkend, gestimuleerd en gewaardeerd.

Over de leerstoel en Anouke Bakx

De leerstoel, mogelijk gemaakt door (donateurs van) het Mensa Fonds, richt zich op het onderzoeken van de ontwikkeling van hoogbegaafde mensen – met speciale aandacht voor de impact van belangrijke overgangen in een levensloop, zoals van onderwijs naar werk of van werk naar pensionering. Ook draagt de leerstoel bij aan het ontwikkelen van interventies gericht op het bevorderen van de veerkracht en het welzijn van hoogbegaafde mensen. Er is nog relatief weinig bekend over de levensloop van hoogbegaafde mensen, oftewel mensen met een hoog ontwikkelingspotentieel. Door middel van deze bijzondere leerstoel hopen Tilburg University en het Mensa Fonds zowel de wetenschappelijke kennis over hoogbegaafde mensen, als meerwaarde van hoogbegaafde mensen voor de gehele maatschappij te vergroten.

Prof. dr. Anouke Bakx is door Tilburg University benoemd op de bijzondere leerstoel ‘Hoogbegaafdheid, Transities en Maatschappelijke Impact’ en is lector Goed leraarschap, Goed leiderschap aan Fontys Hogeschool en bestuurslid van het National Talent Centre of the Netherlands. Ze heeft de onderwijsonderzoekswerkplaatsen van POINT (Passend Onderwijs voor Ieder Nieuw Talent opgericht, waarin onderzoek, onderwijs, opleiding en ontwikkeling samenkomen. Het POINT-concept heeft meerdere prijzen gewonnen voor de verbinding van wetenschap en praktijk. Daarnaast is zij medeoprichter van het wetenschappelijk expertisecentrum RATiO. In 2019 werd haar werk erkend met een nominatie voor de Mensa Fonds Uitblinker Award.

Meer weten?

Bekijk of lees hier de oratie