Lineke van Tricht: ‘Maak leerlingen bewust van hun talent’

Lineke van Tricht zette zich met Bureau Talent 18 jaar lang in voor hoogbegaafde leerlingen. Het bureau heeft ze overgedragen, ze doet nu onderzoek naar hoogbegaafdheid en kansengelijkheid: ‘We missen een hele doelgroep.’ Bureau Talent is lid van de NTCN-klankbordgroep.

Lineke van Tricht begon haar loopbaan als docent Engels en Nederlands. ‘Ik ben gefascineerd door de leeftijdsgroep van 12 tot 18 jaar,’ vertelt ze. ‘In die periode gebeurt zoveel: cognitieve groei, identiteitsontwikkeling, het afzetten tegen je ouders. Het is een fase waarin jongeren ontdekken wie ze zijn en wat ze willen.’

Na een jaar of tien voor de klas te hebben gestaan kwam de overstap naar schoolleider op het Amstelveen College. “Via de plusklas kwam ik voor het eerst in aanraking met hoogbegaafde leerlingen. Ik raakte gefascineerd door deze groep en wilde graag dat ze zich goed konden ontwikkelen. Blijkbaar ging dat niet voor alle hoogbegaafde leerlingen vanzelf. Wat kun je als school daaraan doen?.”

Haar interesse voor hoogbegaafdheid ontstond toen ze als schoolleider in aanraking kwam met de plusklas op school. “In mijn eerste jaar als schoolleider hadden we een leerling van wie duidelijk was dat zij hoogbegaafd was. Daar hadden we toen niet zo goed een antwoord op, we zijn met haar en haar ouders om de tafel zijn gegaan. Het bleek dat zij heel graag één dag per week stage wilde lopen bij een dierenarts. Dat hebben we toen gedaan. Alleen al dat ze die mogelijkheid had, hielp om het op school beter te doen.”

Door die leerling realiseerde Van Tricht zich dat standaard-protocol niet het antwoord was voor hoogbegaafden. “Je bent steeds aan het kijken wat er werkt voor die specifieke leerling. Het maakte mij erg nieuwsgierig. Al vrij snel ben ik het ECHA-handboek gaan lezen, uiteindelijk ben ik ook die opleiding gaan doen.” Het was Minka Dumont, die haar daartoe aanzette. “Zij werkte voor onze school. Ik stelde haar heel veel vragen over de plusklas en hoogbegaafde leerlingen. ‘Waarom ga je de ECHA-opleiding niet doen’, zei ze. Dat is echt iets voor jou’. En dat heb ik dus gedaan.”

De start van Bureau Talent: verrijkingsmateriaal

In 2008 nam Van Tricht een radicale stap: ze richtte Bureau Talent op. “Ik wilde zelf aan de knoppen draaien,’ legt ze uit. ‘Het vaste stramien van een schooljaar voelde als een keurslijf: altijd dezelfde toetsweken, dezelfde open dagen, dezelfde feestdagen. Ik wilde meer vrijheid om creatiever te worden. Dat werd Bureau Talent.”

Door de ECHA-opleiding en gesprekken in het veld kwam Van Tricht erachter dat er nauwelijks goed verrijkingsmateriaal was voor hoogbegaafde leerlingen in het voortgezet onderwijs. “En al helemaal niet voor leerlingen die niet in het traditionele bèta-plaatje pasten. In één zomervakantie heb ik vijf verrijkingsprojecten ontwikkeld, variërend van ondernemerschap tot het absolute nulpunt. Ik koos bewust voor onderwerpen die niet in het curriculum zaten, maar die leerlingen wel boeiden. Ik wilde laten zien dat hoogbegaafdheid niet alleen over IQ gaat, maar ook over creativiteit, motivatie en passie.”

De start van Bureau Talent was spannend. ‘Ik moest koude acquisitie doen,’ vertelt Van Tricht. ‘Ik belde Begaafdheidsprofielscholen en Leonardo-scholen op, en gelukkig waren er scholen die blij waren met mijn aanbod.’ De eerste leerlingen die met haar projecten werkten, waren verrast: ‘Ze dachten dat ze weer een saai boekje kregen om op de gang te zitten. Maar mijn projecten waren digitaal en actueel, 18 jaar geleden was dat echt nieuw.’

Docenten trainen

Al snel kwam de vraag of ze ook docenten kon trainen. “In die tijd boden organisaties als de Leonardo Stichting wel een predicaat aan, maar geen echte training of materiaal. Scholen waren dus blij met mijn expertise.” Toen Van Tricht begon met het trainen van docenten, had ze al een duidelijke visie. “Ik had zelf zoveel slechte studiedagen meegemaakt, dat ik besloot: als ik docenten ga trainen, dan moet ik het wel goed doen. Mijn uitgangspunt was Practice what you preach. Als je docenten wilt leren differentiëren, dan moet je dat zelf ook doen in je trainingen.”

Haar trainingen waren niet alleen theorie, maar vooral praktijkgericht. “Docenten willen aan het eind van de dag iets in handen hebben wat ze de volgende dag direct kunnen toepassen,” vertelt ze. Toch was niet elke docent hetzelfde. ‘Sommigen willen graag theoretische verdieping, anderen willen gewoon een recept: zo moet je het doen. Daarin moet je differentiëren.”
Praktijkgericht betekende voor Van Tricht ook het gebruik van voorbeelden uit de school. “Ik verzamelde verhalen van docenten die mijn methoden hadden toegepast: lessen die ze hadden gecompact, verrijkingsmateriaal dat ze hadden gemaakt. Die voorbeelden kwamen rechtstreeks uit de klas. Dat werkte het best.”

Begeleiden van leerlingen

Naast trainingen begon ze ook individuele leerlingen te begeleiden. “In het begin waren dat vooral leerlingen die niet wisten hoe ze moesten leren, omdat alles altijd vanzelf ging. Maar gaandeweg kwamen er complexere casussen bij.” Van Tricht leerde dat trouw en betrouwbaarheid essentieel zijn. “Zelfs als een leerling enorm tegenwerkt, moet je de volgende keer gewoon weer aanwezig zijn. Zo weet de leerling: ik kan raar doen, maar zij blijft.”

Soms werkt Van Tricht samen met psychologen. “Zij hebben andere kennis dan ik, en dat is erg leerzaam. Ik herinner me een leerling die in een re-integratietraject zat. Haar psycholoog gebruikte op een gegeven moment provocatieve elementen: ‘Ja, naar school gaan is eng. Blijf maar thuis, dat is veiliger’. Voor Van Tricht was dit een eyeopener. “Ik denk dat de twee disciplines elkaar erg mooi kunnen aanvullen, wat die psycholoog kan, kan ik niet. En ik heb weer kennis en ervaring die zij niet hebben. Zorg en onderwijs zouden wat mij betreft meer moeten samenwerken om hoogbegaafde leerlingen tot bloei te laten komen.’

Kansengelijkheid: ‘We missen een hele doelgroep’

Van Tricht merkte in de loop van de jaren dat de leerlingen met zij werkte erg vaak dezelfde achtergrond hadden. “Het waren voornamelijk kinderen met hoogopgeleide ouders. Dat voelde niet goed. Ik dacht: we missen een hele doelgroep.”
Dit inzicht dreef haar aan om zich in te zetten voor kansengelijkheid in hb-onderwijs. “Dat komt ook door mijn eigen achtergrond. Mijn moeder komt uit een arbeidersgezin. Haar vader vond het heel belangrijk dat zijn dochters gingen doorleren. Ik zie ook hoe moeilijk het kan zijn voor eerste generatiestudenten.”

Van Tricht initieerde Erasmus+-projecten om hoogbegaafde leerlingen uit lagere sociaal-economische milieus op te sporen en te begeleiden. ‘We gebruikten non-verbale intelligentietests, zoals de COVAT, om leerlingen te identificeren die anders onder de radar zouden blijven. Een groot gedeelte van die leerlingen bleek niet op het vwo te zitten, maar op de havo of zelfs vmbo. Voor hen was het een grote verrassing om te horen dat ze een bovengemiddelde cognitieve aanleg hadden.”

Bewust zijn van je talent

Haar promotieonderzoek richt zich op de motivatie van hoogbegaafde 15-jarigen uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status. “Veel van deze leerlingen hebben te maken met vooroordelen en een gebrek aan rolmodellen. Ze weten niet wat ze kunnen bereiken. Leerlingen moeten zich bewust worden van hun talent en leren groter te denken.” Het kennen van de academische taal is daarbij een belangrijke voorwaarde. “Leerlingen uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status hebben vaak niet de woordenschat om hun cognitieve talent te laten zien. Woorden als analyse, tegenargument en desalniettemin zijn essentieel om succesvol te zijn in bijvoorbeeld het vwo.”

De komende jaren gaat Van Tricht verder in de wetenschap. “Ik vind onderzoek doen een mooi ambacht, en ik wil het tot in de puntjes beheersen. Dat red je niet in de zes jaar dat ik nu bezig ben. Er zijn nog zoveel onderwerpen en onderzoekstechnieken die ik wil leren.” Ze initieerde ook een Special Interest Group binnen de ECHA Europe, gericht op kansengelijkheid in begaafdenonderwijs. “Er is weinig Europees onderzoek naar dit thema. We willen een multilinguale literatuurstudie doen om te zien wat er in verschillende landen speelt. Uiteindelijk hopen we een Europese onderzoeksagenda op te stellen.”

Meer weten over haar onderzoek naar hoogbegaafdheid en kansengelijkheid?

Klankbordgroep: NTCN als verbindend netwerk. Samen staan we sterker.

Wat willen deelnemers van de NTCN-klankbordgroep halen uit en brengen aan deze groep? Hoe kan NTCN de komende jaren een nog belangrijkere rol spelen in het veld van hoogbegaafdheid en talentontwikkeling? Welke rol kunnen de Talent Point spelen? Die vragen stonden centraal tijdens een bijeenkomst van de Klankbordgroep. De antwoorden waren opvallend eenduidig: NTCN wordt vooral gezien als een verbindend netwerk. Woorden als ontmoeting, netwerk, samenwerking, kennisdeling en inspiratie kwamen vaak terug.

Dat sluit duidelijk aan bij de onze missie: het verbinden, versterken en verspreiden van expertise over (hoog)begaafdheid en talentontwikkeling. Als onafhankelijk en gezaghebbend platform bundelt NTCN kennis, netwerken en initiatieven, en maakt deze toegankelijk voor onderwijsprofessionals, beleidsmakers, zorgverleners en ouders. Ons doel? Optimale kansen creëren voor de ontwikkeling van (hoog)begaafde kinderen, jongeren en volwassenen in Nederland.

Wensen en behoeftes van de klankbordgroep

Uit de gesprekken met de klankbordgroep kwam een aantal duidelijke wensen en behoeften naar voren:

  • NTCN als ontmoetingsplek voor praktijk, wetenschap, beleid en onderwijs. Deelnemers benadrukten dat NTCN de plek moet zijn waar verschillende werelden elkaar vinden. Of het nu gaat om onderwijs (PO, VO, MBO, HBO, WO), wetenschap, beleid of praktijk: NTCN kan fungeren als bruggenbouwer.
  • In het verlengde daarvan: een sterkere verbinding tussen onderwijsniveaus. Er is behoefte aan meer verbinding tussen primair onderwijs (PO), voortgezet onderwijs (VO), middelbaar beroepsonderwijs (MBO), hoger beroepsonderwijs (HBO) en wetenschappelijk onderwijs (WO). NTCN kan hierin een coördinerende rol vervullen, bijvoorbeeld door het organiseren van cross-sectorale bijeenkomsten of het delen van best practices tussen de verschillende niveaus.
  • Talent Points als cruciale schakels binnen het netwerk. Zij kunnen helpen om initiatieven lokaal te verankeren en de verbinding met het landelijke netwerk te versterken.
  • Meer zichtbaarheid en gezag. Deelnemers willen dat NTCN, de Talent Points en het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid sterker gepositioneerd wordt, zowel binnen Nederland als internationaal.
  • Intensievere contacten richting OCW en de politiek om hoogbegaafdheid structureel op de agenda te zetten, maar ook om beleidsmakers en politici op een goede manier te informeren.
  • Actieve betrokkenheid van deelnemers. De klankbordgroep wil actief bijdragen met expertise, onderzoek, praktijkervaringen en netwerkcontacten. NTCN kan hierin faciliteren door het organiseren van interactieve bijeenkomsten waar deelnemers zelf initiatieven kunnen presenteren en het creëren van een platform voor kennisuitwisseling, bijvoorbeeld via een digitale community of nieuwsbrief.

Hoe gaat NTCN invulling geven aan deze wensen?

Het jaarplan 2025-2026 van NTCN bouwt voort op deze inzichten. De ambities voor 2026 zijn hierop afgestemd:

  • NTCN is onderscheidend in het veld van hoogbegaafdheid. We streven naar een stabiele, gezaghebbende positie als verbinder in het veld. Dit betekent: samenwerken met **wetenschappelijke instituten en bedrijven** die hun waarde hebben bewezen, ondersteunen van projecten die gebaseerd zijn op deugdelijk onderzoek en bewezen effectiviteit en een platform bieden voor alle betrokkenen die behoefte hebben aan verbinding.
  • Uitbouw en verduurzaming van het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid (KCHB). In 2026 wordt gewerkt aan: 1. inspiratie, verbinding en facilitering voor professionals en organisaties en 2. duurzame inbedding van het kenniscentrum, zodat het een structurele rol kan vervullen.
  • Inspireren, verbinden en faciliteren voor alle leeftijdsgroepen. NTCN richt zich in 2026 specifiek op: professionals betrokken bij de doelgroep 0-18 jaar (bijv. leerkrachten, begeleiders, ouders) en professionals betrokken bij de doelgroep 18+ (bijv. loopbaanbegeleiders, HR-professionals, werkgevers).
  • Internationale verbinding: NTCN als deel van een Europees netwerk. NTCN opereert niet alleen nationaal, maar ook internationaal als coördinator van nationale Talent Points binnen het European Talent Support Network (ETSN). Hierdoor vinden Europese inzichten en kennis hun weg naar Nederland, en omgekeerd. Deze internationale verbinding wordt door deelnemers aan de Klankbordgroep als essentieel gezien voor de verdere ontwikkeling van het veld.

Wat betekent dit voor de toekomst?

De opbrengsten van de klankbordgroep en het jaarplan laten zien dat NTCN de komende jaren een centrale, verbindende rol wil vervullen. Dit betekent:

  • Een platform zijn waar praktijk, wetenschap, beleid en onderwijs elkaar ontmoeten.
  • Kennis delen en toegankelijk maken voor alle betrokkenen.
  • Lobbyen voor structurele aandacht voor hoogbegaafdheid bij beleidsmakers en politici.
  • Samenwerken met internationale netwerken zoals ETSN en ECHA.
  • Actief betrekken van deelnemers bij de ontwikkeling van het netwerk.

Werk je met ons samen aan deze ambities?

NTCN nodigt alle betrokkenen uit om actief bij te dragen aan dit netwerk. Of je nu kennis of ervaringen wilt delen, samenwerkingsmogelijkheden ziet, of initiatieven wilt opzetten, neem dan contact met ons op.

Hoogbegaafd en leesproblemen: een andere blik op ontwikkeling

Hoogbegaafde kinderen kunnen alles, toch? Kim Lijbers, onderzoeker bij POINT, weet wel beter. Haar onderzoek naar hoogbegaafde leerlingen met leesproblemen toont aan dat talent en leesvaardigheid niet altijd hand in hand gaan. En dat dat oké is.

“Na de academische pabo in Utrecht, gecombineerd met een bachelor onderwijskunde, heb ik de master onderwijswetenschappen gevolgd. Daarna kwam ik terecht op een school voor hoogbegaafde kinderen in mijn eigen regio. Ik was eerst onzeker: zou deze doelgroep bij me passen? Maar na een dag meelopen was ik verkocht. De dynamiek, de diepgang, de manier waarop deze kinderen dachten, het sprak me enorm aan. Ik verdiepte me in het onderwerp en ontdekte al snel dat er nog zoveel te leren viel.

Bijvoorbeeld dat de vooroordelen over deze groep groot waren. Hoogbegaafde kinderen kunnen alles, toch? Dat klopte niet. Wat ik wel zag, waren kinderen met unieke behoeften, die niet altijd werden begrepen.
Mijn oorspronkelijke plan was om leerkracht te blijven. Tot POINT op mijn pad kwam. Drie jaar lang coördineerde ik een werkplaats in Den Bosch, waar wetenschappelijk onderzoek en onderwijspraktijk samenkomen. En toen was de stap naar promotieonderzoek snel gezet.

Discrepante lezers: een vergeten groep

Mijn onderzoek komt voort uit mijn scriptie, het richt zich op een bijzondere groep: hoogbegaafde kinderen die moeite hebben met lezen, maar niet voldoen aan de criteria voor dyslexie. We noemen ze discrepante lezers: kinderen met een hoog IQ, maar een leesvaardigheid die daar niet bij past. Deze groep valt vaak tussen wal en schip: ze krijgen geen diagnose, en dus ook geen passende begeleiding, terwijl ze wel frustratie kunnen ervaren.

Tijdens mijn scriptie ben ik begeleid door Arjan van Tilborg (docent aan de pabo, Hogeschool Leiden). Anouke Bakx (lector Goed leraarschap, Goed leiderschap, Fontys Hogeschool) en Sietske van Viersen (onderzoeker Pedagogiek in Diverse Samenlevingen, Universiteit Utrecht) zijn daar bijgekomen toen ik mijn scriptie om ging zetten naar een wetenschappelijke paper. Sietske was voor mij een groot voorbeeld, zij is gepromoveerd op het onderwerp dyslexie en hoogbegaafdheid.

Uit ons onderzoek bleek iets verrassends. We keken naar zwaktes op gebieden die vaak geassocieerd worden met dyslexie, zoals fonemisch bewustzijn (het herkennen van klanken in woorden), benoemsnelheid en verbale kortetermijngeheugen. Maar deze kinderen lieten geen extra zwaktes zien ten opzichte van hoogbegaafde kinderen zonder leesproblemen. Ook toonden ze geen bijzondere sterktes op deze gebieden. Hun prestaties waren simpelweg gemiddeld. Toch kunnen ze het lezen als een probleem ervaren. En dat heeft alles te maken met verwachtingen.

Van hoogbegaafde kinderen wordt vaak aangenomen dat ze overal goed in zijn. Ouders, leerkrachten en de kinderen zelf verwachten dat ze uitblinken, ook in lezen. Als dat niet het geval is, ontstaat frustratie. Maar het is zeker niet vanzelfsprekend dat hoogbegaafde kinderen goed kunnen lezen. De correlatie tussen intelligentie en leesvaardigheid is hoogstens gemiddeld, niet hoog. Sommige kinderen hebben gewoon tijd nodig. Andere ontdekken pas later de motivatie om te lezen. En dat is oké.

Een andere aanpak: focus op talent

In het onderwijs zien we vaak dat we ons richten op het wegwerken van zwaktes: ‘Dit kan een kind niet, dus daar moeten we extra mee oefenen’. Dat is op zich niet verkeerd, maar we vergeten soms om te kijken naar waar een kind wel goed in is. Voor hoogbegaafde kinderen (eigenlijk voor alle kinderen) is het essentieel om oog te houden voor hun talenten. Want als je alleen hoort wat je niet kunt, daalt je competentiegevoel. En dat raakt niet alleen de motivatie, maar ook het welbevinden.

Voor discrepante lezers betekent dit een andere benadering. In plaats van te focussen op het verbeteren van leesvaardigheid (wat vaak niet helpt, omdat er geen onderliggende zwakte is), kun je beter kijken naar hun ambities. Wat willen ze bereiken? Wat drijft ze? Hoe kan lezen daarin een rol spelen, of juist minder centraal staan? Door lezen te koppelen aan hun interesses en sterke punten, wordt het ineens een aangenamere taak. Psycho-educatie is hier ook belangrijk: uitleggen dat je niet overal goed in hoeft te zijn, zelfs als je hoogbegaafd bent.

Mijn boodschap is simpel: kijk verder dan de zwaktes. Kijk naar het kind, niet het label. En onthoud: een kind dat niet goed kan lezen, is niet per definitie een kind met een probleem. Soms heeft het gewoon tijd, motivatie of een andere benadering nodig.”

Meer weten?