Mia Frumau: “Als gezondheidszorg en onderwijs samenwerken, kun je een leerling veel beter helpen”

Mia Frumau werkt al 38 jaar met mensen met een hoog ontwikkelingspotentieel. Als psychotherapeut en oprichter van een multidisciplinaire praktijk behandelt ze complexe problematiek.

Hoe ben je in de wereld van hoogbegaafdheid terechtgekomen?

“Het begon allemaal toen ik student-assistent was bij Franz Mönks. Dat was in 1985. Hij was hoogleraar Ontwikkelingspsychologie; samen met Willy Peters (ook ontwikkelingspsycholoog) is hij het CBO begonnen, gericht op diagnostisch onderzoek, onderwijs en wetenschap. Mijn focus lag naast diagnostiek meer op de hulpverlening. Er is altijd contact en een vorm van samenwerking gebleven met Franz Mönks (tot zijn overlijden) en Willy Peters tijdens en na hun CBO-tijd.

Zo ben ik vanaf het begin betrokken geweest bij de ontwikkeling van hoogbegaafdheid in Nederland. In die tijd waren er vier mensen in Nederland die zich hiermee bezighielden en het op de kaart hebben gezet: Franz Mönks, Pieter Span (hoogleraar Psychologie voor pedagogen en andragologen), Ton Mooij (onderwijsonderzoeker) en Juanita Rebel van de Binet Stichting. Zelf heb ik nog een cursus gevolgd bij mevrouw Rebel, waarmee ik Binetpsycholoog werd. Het was een bijzondere tijd, waarin zij met z’n vieren op zaterdag bij elkaar zaten, soep maakten en sparden over hoe ze hoogbegaafden in Nederland konden helpen.

In 1988 ben je PPF Centrum voor Hoog OntwikkelingsPotentieel gestart. Wat doet jouw praktijk precies?

“We behandelen complexe problematiek bij mensen met een hoog ontwikkelingspotentieel. We screenen zorgvuldig, want we willen juist deze mensen (van heel jong tot oud) helpen, die vaak moeilijker passen in reguliere hulpverlening. Onze aanpak is holistisch en breed systemisch: we puzzelen intensief samen met de cliënt om misdiagnoses te voorkomen. We bieden diagnostiek en behandelingen, variërend van cognitieve gedragstherapie waaronder ACT, systeemtherapie, existentiële psychotherapie tot traumabehandeling, psychoanalytische benaderingen, bokstherapie en mindfulness. Versterken van het mentaliserend vermogen is bijna altijd onderdeel van de behandeling. Als basis bekijken en begeleiden we de leefstijl.

Ons team bestaat uit psychiaters, GZ-psychologen, sociaal psychiatrisch verpleegkundige en andere specialisten. We passen onze methoden aan, omdat mensen met een hoog ontwikkelingspotentieel vaak net anders benaderd moeten worden. Daarnaast hebben we een preventietak, Breinsteyn, waar we zorg en onderwijs combineren. We staan letterlijk samen (zorg en onderwijs) op de werkvloer, met een specifieke aanpak die gestoeld is op wetenschappelijk onderbouwde methodieken. We geven les en schrijven boeken over onze methode.

Jij ziet natuurlijk heel veel uitdagingen waar hoogbegaafde kinderen en volwassenen mee kampen hebben. Kun je er een aantal noemen?

Een grote uitdaging is de ervaren mismatch met de omgeving, dat noem ik gebrek aan goodness-of-fit. Een andere grote is existentiële problematiek: vragen als ‘heeft mijn leven zin?’ of ‘wat is mijn zijn?’. Hoogbegaafde kinderen kunnen zich al op jonge leeftijd afvragen of hun bestaan wel betekenis heeft, vooral als ze zich niet thuis voelen in hun omgeving. Verveling is ook een veelvoorkomend probleem, niet per se omdat ze lui zijn, maar omdat de lesstof niet aansluit bij hun niveau. Soms is die verveling ook existentiële leegte: het niet kunnen omgaan met het gevoel dat het leven eindig is en geen richting of betekenis heeft. Angst dat er niets is in plaats van iets is (wat er gedaan kan worden) en dat het geen zin of nut heeft (wat gedaan kan worden).

We werken veel met asynchrone of atypische ontwikkeling, stemmingsproblemen, angsten en het daaruit voortkomende vermijdingsgedrag en traumaverwerking. Hoogbegaafde kinderen zijn vaak heel goed in het bedenken van argumenten of smoesjes om dingen te vermijden, omdat ze cognitief ver vooruit zijn. Maar als je die vermijding niet aanpakt, kunnen ze vastlopen. Ik probeer altijd door die laag heen te prikken, naar wat ze eigenlijk voelen, vermijden of verbergen. Emoties staan centraal in onze behandelingen.

Hoe ga je om met existentiële vragen bij kinderen?

Naast dat ik altijd probeer naar de kern te gaan, zoals angst voor de dood, wat heel pittig kan zijn, voeg ik ook een positieve en realistische insteek toe. We kijken naar wat ze wel kunnen controleren, waar hun waarden liggen en wat ze kunnen doen om zin te geven aan hun leven. Hoogbegaafde kinderen stellen al vroeg existentiële vragen. Hoogbegaafde jongeren zoeken vroeger dan andere jongeren naar de zin van hun leven. Existentiële depressies komen vaker voor bij mensen met een hoog ontwikkelingspotentieel. Het is belangrijk voor zingeving dat mensen kunnen ervaren dat ze er zijn en dat ze kunnen handelen. Soms is het bij existentiële verveling simpel: ‘Ga iets doen’. Kiezen om iets kleins te doen, voor een ander of als je daarmee betekenis vindt of je bouwt aan betekenis in je leven kan van grote waarde zijn. Zoals iets geven aan een ander waarmee die iets kan doen of glimlachen naar een ander. Hoe meer je doet wat voor jou betekenisvol is, hoe minder dat gevoel van zinloosheid wordt.

We praten ook over waarden: wat vind je belangrijk, waar krijg je energie van? Soms is het genoeg om te ontdekken wat ze leuk vinden of waar ze passie voor hebben of zinvol vinden om te DOEN.

Zorg en onderwijs allebei bezig om hoogbegaafde kinderen en jongeren te helpen. Hoe kunnen ze samenwerken?

Dat is een interessant punt. Als je de samenwerking aangaat, kan het in het begin wat ‘stoeien’ tussen zijn de verschillende benaderingen. Open in gesprek gaan zodat je elkaars perspectieven leert begrijpen heb ik als waardevol ervaren. Onderwijs en zorg kijken namelijk anders naar gedrag. Deze verschillende benaderingen kunnen elkaar mooi aanvullen en versterken, zoals wij merken door samen op de werkvloer te gaan staan. Als psychotherapeut ben ik vooral bezig met emoties en processen. Ik kijk naar de emotie achter het gedrag, niet alleen bij het kind, maar ook bij de leerkracht en mijzelf. In het onderwijs zijn processen vaak korter en taakgerichter, terwijl wij langere trajecten nodig hebben, vooral als het gaat om complexe problematiek met een overbelast systeem en/of diepere emotionele of existentiële kwesties.

Hoe kan de samenwerking tussen zorg en onderwijs er in de praktijk uitzien?

Ik heb een pilot gedaan met een samenwerkingsverband in Oss, waarin we regelmatig overleg hadden tussen zorg (SGGZ ikzelf) en leerkrachten van verschillende scholen, waarbij ze vragen en casuïstiek met mij en met elkaar konden bespreken. In de praktijk betekende dit dat we soms kinderen een paar keer zagen en dan weer met school om de tafel zaten. We deden een observatie: school vertelde wat zij zagen, wij vertelden wat wij zagen, en dan maakten we samen een plan. Soms bleef het bij die observatie, soms was verdere behandeling nodig. Het hing helemaal af van het kind en de situatie. Wat ook helpt, is dat we deze kinderen snel konden behandelen. Zo kunnen we snel ingrijpen als dat nodig is. En door de korte lijnen met de leerkrachten kunnen we direct reageren op vragen of veranderingen in het gedrag van een kind. Het is een samenwerking waarbij we elkaar aanvullen en van elkaar leren.

Korte lijnen en weinig regeldruk zijn essentieel. Als je mensen vertrouwt en ze hun werk laat doen, zonder bureaucratie, dan kun je veel sneller en effectiever helpen. Helaas zie je overal – in de zorg, het onderwijs, zelfs bij de politie – dat administratie en regeldruk het werk bemoeilijkt.

Wat doe je om hoogbegaafde jongeren te helpen die niet naar school gaan?

We hebben een Award-centrum voor middelbare scholieren en studenten. Award is geen therapie, maar een talent ontwikkelingsprogramma waarbij ze human skills oftewel niet formele vaardigheden leren. Ze werken een uur per week aan sport, vrijwilligerswerk en aan een persoonlijk doel. Dit doen ze net buiten hun comfortzone. Ook organiseren ze zelf expedities waarin ze overnachten en zelf koken. Dit helpt om hun zelfvertrouwen, doorzettingsvermogen en sociale vaardigheden, zoals samenwerken te ontwikkelen.

Voor jongeren die thuis zitten, is dit een manier om weer in contact te komen met gelijkgestemden. Ze ervaren dat ze niet de enige zijn en leren vaardigheden die ze in hun situatie misschien niet zomaar meer oppikken.

Hoe kijk je aan tegen de toekomst van hoogbegaafdheid in de gezondheidszorg?

Mijn missie is om hoogbegaafdheid in de GGZ op de kaart te zetten. Veel mensen met een hoog ontwikkelingspotentieel worden verkeerd gediagnosticeerd of behandeld, waardoor ze niet goed geholpen worden of zelfs afhaken. Ik heb de wens dat hulpverleners deze doelgroep leren herkennen en weten hoe ze hen kunnen helpen of als hen dat niet past dat ze hen doorverwijzen naar de juiste behandelaren. Wat ik heel mooi vind is dat we een hoofdstuk hebben mogen schrijven in het nieuwe handboek klinische ontwikkelingspsychologie.

Neem als simpel voorbeeld van het goed leren begrijpen van jongvolwassene hoogbegaafden die starten op de arbeidsmarkt. In dit voorbeeld zien we mentaal gezonde jongvolwassenen die gedrag laten zien dat gepathologiseerd kan worden maar ook verklaard kan worden vanuit hun hoogbegaafdheid. We zien dan jonge mensen die enthousiast aan de slag gaan op de arbeidsmarkt, maar na twee weken al uitgeblust zijn omdat het werk niet aansluit bij hun behoeften. Daarin zit geen enkele pathologie, maar wel een mismatch met hun omgeving. Ze hebben uitdaging en variatie nodig, anders lopen ze het risico op een bore-out. Het is belangrijk om hier al in een vroeg stadium (preventief) aandacht voor te hebben, zowel bij de jongeren zelf als bij hun toekomstige werkgevers.

Wat is de grootste les die je hebt geleerd in al die jaren?

Dat iedereen uniek is, en dat geldt zeker voor hoogbegaafden. Er is enorme variatie in deze groep. Wat voor de een werkt, werkt niet per definitie voor de ander. Onze aanpak is dan ook altijd maatwerk: N=1, zoals we het noemen. We kijken naar het individu met zijn of haar context. Ouders, school, vrienden: het speelt allemaal een rol.

En het allerbelangrijkste: neem de tijd. Soms kost het lang voordat iemand weer op de rit is, maar als je die tijd neemt, zijn de resultaten vaak blijvend. Ik heb cliënten met complexe problematiek gehad die na een lang traject op de basisschool nooit meer hulp nodig hadden. Dat is het mooiste wat er is.”

Facilitator Training van Peers4Parents

Een van de leden van de NTCN-klankbordgroep is Peers4Parents. Hun missie is om ouders te versterken in de begeleiding van hun kinderen met kenmerken van begaafdheid, zodat zij emotioneel, sociaal, spiritueel, intellectueel en fysiek kunnen groeien, waarbij het welbevinden van het hele gezin wordt bevorderd.

Een van hun activiteiten is de tweedaagse Facilitator Training, voor ervaringsdeskundige professionals met expertise in het begeleiden van begaafde kinderen, jongeren en/of volwassenen. Voor het leren van facilitator vaardigheden om ouders te begeleiden bij de emotionele ontwikkeling van hun begaafde kinderen.

Op 30 en 31 oktober vindt de volgende training plaats….

Voortzetting Kenniscentrum Hoogbegaafdheid tot begin 2030

Kenniscentrum Hoogbegaafdheid zorgt voor duurzame inbedding in het onderwijs

Tot ten minste maart 2030 continueert het ministerie van OCW de opdracht aan het National Talent Centre of the Nederland (NTCN) om het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid verder te ontwikkelen. Hierdoor kan het Kenniscentrum haar missie voortzetten: het creëren van goed, kansrijk en inclusief funderend onderwijs voor leerlingen met kenmerken van (hoog)begaafdheid.

Sinds de oprichting heeft het Kenniscentrum zich ontwikkeld tot een toonaangevend platform voor praktijk, wetenschap en beleid in het funderend onderwijs. Onder leiding van programmamanager Eleonoor van Gerven is het Kenniscentrum uitgegroeid tot een nationale en internationale speler, met aandacht voor de meest actuele inzichten op het gebied van (hoog)begaafdheid. Er verschenen al zo’n vijftien publicaties over onder andere onderpresteren, versnellen, traumasensitief onderwijs, dubbel bijzonder en kansengelijkheid. Het ‘Basisboek (Hoog)begaafdheid voor po en vo’ is een belangrijke mijlpaal in het bestaan van het Kenniscentrum.

De komende jaren zal het Kenniscentrum zich blijven inzetten voor een inclusieve benadering, waarbij (hoog)begaafdheid niet als een label wordt gezien, maar als een natuurlijk onderdeel van de onderwijsdiversiteit.

Het Kenniscentrum is er voor het hele funderend onderwijsveld, we voelen de verantwoordelijkheid om de kennis toegankelijk en toepasbaar te maken voor alle betrokkenen. Daarom zal het Kenniscentrum zich in de periode 2027–2030 onder andere richten op:

  • De versterking van het kennis- en communityplatform: de bestaande website blijft beschikbaar en wordt uitgebreid met nieuwe inzichten, publicaties en praktijkvoorbeelden.
  • Verbinden van praktijk, beleid en wetenschap: via expertgroepen, thematische bijeenkomsten en internationale samenwerkingen wordt kennis gedeeld en verdiept.
  • Het blijven organiseren van online en fysieke bijeenkomsten. Naast de (internationale ) webinars en online workshops organiseren we landelijke, jaarlijkse congressen. In 2027 wordt een groot evenement georganiseerd rond de lancering van het ‘Casusboek (hoog)begaafdheid voor primair en voortgezet onderwijs’.
  • Versterken samenwerking met relevante partijen. Om zeker te zijn dat kennis over (hoog)begaafdheid overal in Nederland beschikbaar is, willen we nog meer samenwerken met lerarenopleidingen, aanbod ontwikkelen voor samenwerkingsverbanden en een beeld krijgen van wat er in de regio’s speelt (en ook daar aanbod voor ontwikkelen). Ook sluiten we aan bij internationale organisaties zodat we relevante kennis uit het buitenland kunnen delen met scholen in Nederland.

Over NTCN

Het National Talent Centre Nederland (NTCN) is een onafhankelijk en gezaghebbend platform dat zich richt op het verbinden, versterken en verspreiden van expertise over (hoog)begaafdheid en talentontwikkeling in Nederland. NTCN fungeert als bruggenbouwer tussen praktijk, wetenschap, beleid en onderwijs, en streeft naar optimale ontwikkelkansen voor (hoog)begaafde kinderen, jongeren en volwassenen. NTCN werkt samen met nationale en internationale partijen, zoals het European Talent Support Network (ETSN).

In opdracht van het ministerie van OCW voert NTCN sinds begin 2022 de opdracht voor het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid uit. Het Kenniscentrum richt zich specifiek op de duurzame inbedding en ontwikkelt toegankelijke kennis over (hoog)begaafdheid in het primair en voortgezet onderwijs. Zo werken we aan kansrijk en inclusief onderwijs voor leerlingen met kenmerken van (hoog)begaafdheid.

 

BPS: Hb-onderwijs staat midden in de school bij Basisschool Geert Groote

Een van de leden van de NTCN-klankbordgroep is de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen. De vereniging bestaat uit een netwerk van ongeveer 100 scholen in het primair en voortgezet onderwijs. Al deze scholen hebben hun eigen beleid, aanpak en expertise als het gaat om onderwijs aan hoogbegaafden. De vereniging ondersteunt en stimuleert de leden om een kwalitatief goed en duurzaam aanbod en ondersteuning voor hoogbegaafde leerlingen op de eigen school te realiseren en haar expertise op dit gebied te delen met collega-scholen.

Een van die scholen is het basisschool Geert Groote in Dordrecht. Op die school is onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks onderwijs. Directeur Veerle Kuijpers en HB-coach Mireille Kreukniet werken al jaren aan een schoolklimaat waarin leerlingen die meer aankunnen, worden gezien en uitgedaagd. “Het gaat niet alleen om slim zijn,” zegt Mireille, “maar om leren leren, jezelf leren begrijpen en je plek vinden tussen andere kinderen.”

Twee groepen op één dag

Geert Groote is net even anders georganiseerd. “We zijn een reguliere katholieke basisschool,” vertelt Veerle Kuijpers, “maar we werken met een dagstructuur waarin kinderen vanaf groep 4 in twee groepen zitten.”

In de ochtend zitten leerlingen in instructiegroepen. “Daar krijgen ze de basisvaardigheden: rekenen, taal en lezen, passend bij hun leerdoelen. Na de gezamenlijke lunch gaan de groepen ’s middags door elkaar.” Dan werken leerlingen uit de hele midden- of bovenbouw samen aan projecten, creatieve vakken, gym en presentaties.

“Kinderen leren enorm veel van elkaar,” zegt Veerle. “Oudere leerlingen zijn een voorbeeld voor jongere, en jongere leren hulp vragen. Zo is de maatschappij ook: je zit nooit alleen maar tussen mensen van precies dezelfde leeftijd.”

Hoogbegaafd, maar gewoon in de klas

Hoogbegaafde leerlingen zitten op Geert Groote in principe in de reguliere groepen. “Dat vinden we heel belangrijk,” benadrukt Mireille Kreukniet, HB-coach en plusgroep-leerkracht. “Ze horen bij hun klas en bij de school.”

Daarnaast krijgen zij extra begeleiding. Mireille begeleidt op dit moment elf leerlingen in de plusgroep. Eén keer per week werken zij anderhalf uur samen aan een project, daarnaast ziet Mireille hen individueel of in kleine groepjes voor planning, begeleiding of sociaal-emotionele ondersteuning.

“Ze krijgen verrijkend werk mee de klas in,” vertelt ze. “We werken vooral met Levelwerk: materialen voor rekenen, taal, begrijpend lezen, maar ook voor kunst en zaakvakken. Niet de hele dag, want basisstrategieën moeten ze natuurlijk meekrijgen. Maar we schrappen waar het kan en verdiepen waar het nodig is.”

Leren leren en jezelf begrijpen

In de plusgroep draait het niet alleen om cognitieve uitdaging. “Ik begin eigenlijk altijd met een sociaal-emotioneel stukje,” zegt Mireille. “Een gesprekje, een spel, iets waardoor kinderen leren praten over zichzelf.” Daarnaast is er veel aandacht voor leren leren. “Plannen, omgaan met fouten, doorzetten. Veel van deze kinderen hoeven dat in het begin niet te leren, omdat het leren vanzelf gaat. Maar later lopen ze daar juist tegenaan.”

In de plusgroep werkt Mireille met materialen rondom executieve functies, zoals Breinhelden, en met programma’s die ingaan op denken en voelen. “We praten over piekeren, fantasie, waarom je denkt wat je denkt. Dat levert vaak prachtige gesprekken op.” Veerle herkent dat: “Hoogbegaafde kinderen denken veel. Dan is het zo waardevol dat ze leren: wat gebeurt er eigenlijk in mijn hoofd?”

Vroeg signaleren, zorgvuldig handelen

De school begint al bij de intake met signaleren. “We hebben een uitgebreide vragenlijst,” vertelt Veerle. “En leerkrachten vullen binnen drie weken een screening in. Zo proberen we snel bijzonderheden te zien.”

Toch blijkt hoogbegaafdheid zich vaak pas later duidelijk te tonen. “Soms zie je het pas in groep 2, 3 of zelfs 5,” zegt Mireille. “Daarom screenen we standaard ook in groep 3 en 5.”

Bij kleuters kiest de school bewust voor rust. Groep 1 en 2 zijn gescheiden. “Eerst landen, spelen, wennen,” legt Mireille uit. “Pas later worden de doelen zwaarder. Maar als we zien dat een kind meer aankan, begeleiden we ook kleuters met passend materiaal en denkspellen.”

Het hele team doet mee

Hoogbegaafdheid is geen thema van één persoon op school. “Mijn rol is vooral beleid en het meenemen van het team,” zegt Veerle. “Het mag niet blijven bij alleen de plusgroep.”

Alle leerkrachten hebben scholing gevolgd in signaleren en basiskennis hoogbegaafdheid. Nieuwe teamleden worden daarin begeleid. “Het vraagt soms een andere mindset,” zegt Mireille. “Leerkrachten zijn gewend om vooral te kijken naar kinderen die moeite hebben. Maar ook kinderen die ‘alles kunnen’, hebben begeleiding nodig.” Hoogbegaafdheid staat minstens twee keer per jaar expliciet op de agenda van teamvergaderingen. “Om iedereen scherp te houden,” aldus Veerle.

Enthousiaste leerlingen en trotse ouders

Hoe reageren de kinderen zelf? Mireille: “Ze zijn enthousiast. Als de plusgroep een keer niet doorgaat vinden ze dat zo jammer. Dat zegt genoeg.” Ook ouders zijn enthousiast. “Ze zijn vaak verbaasd dat een school hier bewust aandacht aan besteedt,” zegt Veerle. “Er is veel ondersteuning voor kinderen die iets lastig vinden, maar minder voor kinderen die meer aankunnen. Terwijl die net zo goed gezien willen worden.”

Bij de visitatie van de Vereniging Begaafdheidsprofielscholen in 2025 viel dat enthousiasme ook op. “De kinderen waren trots,” vertelt Veerle. “Ze maakten presentaties en een filmpje. Dat raakte ons.”

Delen van kennis

Geert Groote is binnen stichting Nestas één van de voorlopers op het gebied van hoogbegaafdheid. “We willen die expertise graag delen,” zegt Veerle. “Niet om kinderen bij andere scholen weg te halen, maar juist om samen sterker te worden. Onze ambitie is ook om in de toekomst samen te werken met andere scholen in de wijk. Zodat kinderen op hun eigen school kunnen blijven, maar wel de uitdaging krijgen die ze nodig hebben.”

Voor de toekomst zijn er genoeg wensen. “Het liefst zouden we de plusgroep uitbreiden,” zegt Mireille. “Niet omdat kinderen speciaal willen zijn, want dat willen ze meestal juist niet. Maar omdat we zien hoeveel het hen brengt.”

Daarnaast wil de school zich verder ontwikkelen in compacten en verrijken in de klas, en meer expertise opbouwen bij kleuters. “We zijn goed op weg,” zegt Veerle, “maar het blijft een continu proces. “Hoogbegaafdheid vraagt geen apart eiland. Het vraagt aandacht, begrip en ruimte, midden in de school.”

Bron: Vereniging Begaafdheidsprofielscholen

Lineke van Tricht: ‘Maak leerlingen bewust van hun talent’

Lineke van Tricht zette zich met Bureau Talent 18 jaar lang in voor hoogbegaafde leerlingen. Het bureau heeft ze overgedragen, ze doet nu onderzoek naar hoogbegaafdheid en kansengelijkheid: ‘We missen een hele doelgroep.’ Bureau Talent is lid van de NTCN-klankbordgroep.

Lineke van Tricht begon haar loopbaan als docent Engels en Nederlands. ‘Ik ben gefascineerd door de leeftijdsgroep van 12 tot 18 jaar,’ vertelt ze. ‘In die periode gebeurt zoveel: cognitieve groei, identiteitsontwikkeling, het afzetten tegen je ouders. Het is een fase waarin jongeren ontdekken wie ze zijn en wat ze willen.’

Na een jaar of tien voor de klas te hebben gestaan kwam de overstap naar schoolleider op het Amstelveen College. “Via de plusklas kwam ik voor het eerst in aanraking met hoogbegaafde leerlingen. Ik raakte gefascineerd door deze groep en wilde graag dat ze zich goed konden ontwikkelen. Blijkbaar ging dat niet voor alle hoogbegaafde leerlingen vanzelf. Wat kun je als school daaraan doen?.”

Haar interesse voor hoogbegaafdheid ontstond toen ze als schoolleider in aanraking kwam met de plusklas op school. “In mijn eerste jaar als schoolleider hadden we een leerling van wie duidelijk was dat zij hoogbegaafd was. Daar hadden we toen niet zo goed een antwoord op, we zijn met haar en haar ouders om de tafel zijn gegaan. Het bleek dat zij heel graag één dag per week stage wilde lopen bij een dierenarts. Dat hebben we toen gedaan. Alleen al dat ze die mogelijkheid had, hielp om het op school beter te doen.”

Door die leerling realiseerde Van Tricht zich dat standaard-protocol niet het antwoord was voor hoogbegaafden. “Je bent steeds aan het kijken wat er werkt voor die specifieke leerling. Het maakte mij erg nieuwsgierig. Al vrij snel ben ik het ECHA-handboek gaan lezen, uiteindelijk ben ik ook die opleiding gaan doen.” Het was Minka Dumont, die haar daartoe aanzette. “Zij werkte voor onze school. Ik stelde haar heel veel vragen over de plusklas en hoogbegaafde leerlingen. ‘Waarom ga je de ECHA-opleiding niet doen’, zei ze. Dat is echt iets voor jou’. En dat heb ik dus gedaan.”

De start van Bureau Talent: verrijkingsmateriaal

In 2008 nam Van Tricht een radicale stap: ze richtte Bureau Talent op. “Ik wilde zelf aan de knoppen draaien,’ legt ze uit. ‘Het vaste stramien van een schooljaar voelde als een keurslijf: altijd dezelfde toetsweken, dezelfde open dagen, dezelfde feestdagen. Ik wilde meer vrijheid om creatiever te worden. Dat werd Bureau Talent.”

Door de ECHA-opleiding en gesprekken in het veld kwam Van Tricht erachter dat er nauwelijks goed verrijkingsmateriaal was voor hoogbegaafde leerlingen in het voortgezet onderwijs. “En al helemaal niet voor leerlingen die niet in het traditionele bèta-plaatje pasten. In één zomervakantie heb ik vijf verrijkingsprojecten ontwikkeld, variërend van ondernemerschap tot het absolute nulpunt. Ik koos bewust voor onderwerpen die niet in het curriculum zaten, maar die leerlingen wel boeiden. Ik wilde laten zien dat hoogbegaafdheid niet alleen over IQ gaat, maar ook over creativiteit, motivatie en passie.”

De start van Bureau Talent was spannend. ‘Ik moest koude acquisitie doen,’ vertelt Van Tricht. ‘Ik belde Begaafdheidsprofielscholen en Leonardo-scholen op, en gelukkig waren er scholen die blij waren met mijn aanbod.’ De eerste leerlingen die met haar projecten werkten, waren verrast: ‘Ze dachten dat ze weer een saai boekje kregen om op de gang te zitten. Maar mijn projecten waren digitaal en actueel, 18 jaar geleden was dat echt nieuw.’

Docenten trainen

Al snel kwam de vraag of ze ook docenten kon trainen. “In die tijd boden organisaties als de Leonardo Stichting wel een predicaat aan, maar geen echte training of materiaal. Scholen waren dus blij met mijn expertise.” Toen Van Tricht begon met het trainen van docenten, had ze al een duidelijke visie. “Ik had zelf zoveel slechte studiedagen meegemaakt, dat ik besloot: als ik docenten ga trainen, dan moet ik het wel goed doen. Mijn uitgangspunt was Practice what you preach. Als je docenten wilt leren differentiëren, dan moet je dat zelf ook doen in je trainingen.”

Haar trainingen waren niet alleen theorie, maar vooral praktijkgericht. “Docenten willen aan het eind van de dag iets in handen hebben wat ze de volgende dag direct kunnen toepassen,” vertelt ze. Toch was niet elke docent hetzelfde. ‘Sommigen willen graag theoretische verdieping, anderen willen gewoon een recept: zo moet je het doen. Daarin moet je differentiëren.”
Praktijkgericht betekende voor Van Tricht ook het gebruik van voorbeelden uit de school. “Ik verzamelde verhalen van docenten die mijn methoden hadden toegepast: lessen die ze hadden gecompact, verrijkingsmateriaal dat ze hadden gemaakt. Die voorbeelden kwamen rechtstreeks uit de klas. Dat werkte het best.”

Begeleiden van leerlingen

Naast trainingen begon ze ook individuele leerlingen te begeleiden. “In het begin waren dat vooral leerlingen die niet wisten hoe ze moesten leren, omdat alles altijd vanzelf ging. Maar gaandeweg kwamen er complexere casussen bij.” Van Tricht leerde dat trouw en betrouwbaarheid essentieel zijn. “Zelfs als een leerling enorm tegenwerkt, moet je de volgende keer gewoon weer aanwezig zijn. Zo weet de leerling: ik kan raar doen, maar zij blijft.”

Soms werkt Van Tricht samen met psychologen. “Zij hebben andere kennis dan ik, en dat is erg leerzaam. Ik herinner me een leerling die in een re-integratietraject zat. Haar psycholoog gebruikte op een gegeven moment provocatieve elementen: ‘Ja, naar school gaan is eng. Blijf maar thuis, dat is veiliger’. Voor Van Tricht was dit een eyeopener. “Ik denk dat de twee disciplines elkaar erg mooi kunnen aanvullen, wat die psycholoog kan, kan ik niet. En ik heb weer kennis en ervaring die zij niet hebben. Zorg en onderwijs zouden wat mij betreft meer moeten samenwerken om hoogbegaafde leerlingen tot bloei te laten komen.’

Kansengelijkheid: ‘We missen een hele doelgroep’

Van Tricht merkte in de loop van de jaren dat de leerlingen met zij werkte erg vaak dezelfde achtergrond hadden. “Het waren voornamelijk kinderen met hoogopgeleide ouders. Dat voelde niet goed. Ik dacht: we missen een hele doelgroep.”
Dit inzicht dreef haar aan om zich in te zetten voor kansengelijkheid in hb-onderwijs. “Dat komt ook door mijn eigen achtergrond. Mijn moeder komt uit een arbeidersgezin. Haar vader vond het heel belangrijk dat zijn dochters gingen doorleren. Ik zie ook hoe moeilijk het kan zijn voor eerste generatiestudenten.”

Van Tricht initieerde Erasmus+-projecten om hoogbegaafde leerlingen uit lagere sociaal-economische milieus op te sporen en te begeleiden. ‘We gebruikten non-verbale intelligentietests, zoals de COVAT, om leerlingen te identificeren die anders onder de radar zouden blijven. Een groot gedeelte van die leerlingen bleek niet op het vwo te zitten, maar op de havo of zelfs vmbo. Voor hen was het een grote verrassing om te horen dat ze een bovengemiddelde cognitieve aanleg hadden.”

Bewust zijn van je talent

Haar promotieonderzoek richt zich op de motivatie van hoogbegaafde 15-jarigen uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status. “Veel van deze leerlingen hebben te maken met vooroordelen en een gebrek aan rolmodellen. Ze weten niet wat ze kunnen bereiken. Leerlingen moeten zich bewust worden van hun talent en leren groter te denken.” Het kennen van de academische taal is daarbij een belangrijke voorwaarde. “Leerlingen uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status hebben vaak niet de woordenschat om hun cognitieve talent te laten zien. Woorden als analyse, tegenargument en desalniettemin zijn essentieel om succesvol te zijn in bijvoorbeeld het vwo.”

De komende jaren gaat Van Tricht verder in de wetenschap. “Ik vind onderzoek doen een mooi ambacht, en ik wil het tot in de puntjes beheersen. Dat red je niet in de zes jaar dat ik nu bezig ben. Er zijn nog zoveel onderwerpen en onderzoekstechnieken die ik wil leren.” Ze initieerde ook een Special Interest Group binnen de ECHA Europe, gericht op kansengelijkheid in begaafdenonderwijs. “Er is weinig Europees onderzoek naar dit thema. We willen een multilinguale literatuurstudie doen om te zien wat er in verschillende landen speelt. Uiteindelijk hopen we een Europese onderzoeksagenda op te stellen.”

Meer weten over haar onderzoek naar hoogbegaafdheid en kansengelijkheid?

Klankbordgroep: NTCN als verbindend netwerk. Samen staan we sterker.

Wat willen deelnemers van de NTCN-klankbordgroep halen uit en brengen aan deze groep? Hoe kan NTCN de komende jaren een nog belangrijkere rol spelen in het veld van hoogbegaafdheid en talentontwikkeling? Welke rol kunnen de Talent Point spelen? Die vragen stonden centraal tijdens een bijeenkomst van de Klankbordgroep. De antwoorden waren opvallend eenduidig: NTCN wordt vooral gezien als een verbindend netwerk. Woorden als ontmoeting, netwerk, samenwerking, kennisdeling en inspiratie kwamen vaak terug.

Dat sluit duidelijk aan bij de onze missie: het verbinden, versterken en verspreiden van expertise over (hoog)begaafdheid en talentontwikkeling. Als onafhankelijk en gezaghebbend platform bundelt NTCN kennis, netwerken en initiatieven, en maakt deze toegankelijk voor onderwijsprofessionals, beleidsmakers, zorgverleners en ouders. Ons doel? Optimale kansen creëren voor de ontwikkeling van (hoog)begaafde kinderen, jongeren en volwassenen in Nederland.

Wensen en behoeftes van de klankbordgroep

Uit de gesprekken met de klankbordgroep kwam een aantal duidelijke wensen en behoeften naar voren:

  • NTCN als ontmoetingsplek voor praktijk, wetenschap, beleid en onderwijs. Deelnemers benadrukten dat NTCN de plek moet zijn waar verschillende werelden elkaar vinden. Of het nu gaat om onderwijs (PO, VO, MBO, HBO, WO), wetenschap, beleid of praktijk: NTCN kan fungeren als bruggenbouwer.
  • In het verlengde daarvan: een sterkere verbinding tussen onderwijsniveaus. Er is behoefte aan meer verbinding tussen primair onderwijs (PO), voortgezet onderwijs (VO), middelbaar beroepsonderwijs (MBO), hoger beroepsonderwijs (HBO) en wetenschappelijk onderwijs (WO). NTCN kan hierin een coördinerende rol vervullen, bijvoorbeeld door het organiseren van cross-sectorale bijeenkomsten of het delen van best practices tussen de verschillende niveaus.
  • Talent Points als cruciale schakels binnen het netwerk. Zij kunnen helpen om initiatieven lokaal te verankeren en de verbinding met het landelijke netwerk te versterken.
  • Meer zichtbaarheid en gezag. Deelnemers willen dat NTCN, de Talent Points en het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid sterker gepositioneerd wordt, zowel binnen Nederland als internationaal.
  • Intensievere contacten richting OCW en de politiek om hoogbegaafdheid structureel op de agenda te zetten, maar ook om beleidsmakers en politici op een goede manier te informeren.
  • Actieve betrokkenheid van deelnemers. De klankbordgroep wil actief bijdragen met expertise, onderzoek, praktijkervaringen en netwerkcontacten. NTCN kan hierin faciliteren door het organiseren van interactieve bijeenkomsten waar deelnemers zelf initiatieven kunnen presenteren en het creëren van een platform voor kennisuitwisseling, bijvoorbeeld via een digitale community of nieuwsbrief.

Hoe gaat NTCN invulling geven aan deze wensen?

Het jaarplan 2025-2026 van NTCN bouwt voort op deze inzichten. De ambities voor 2026 zijn hierop afgestemd:

  • NTCN is onderscheidend in het veld van hoogbegaafdheid. We streven naar een stabiele, gezaghebbende positie als verbinder in het veld. Dit betekent: samenwerken met **wetenschappelijke instituten en bedrijven** die hun waarde hebben bewezen, ondersteunen van projecten die gebaseerd zijn op deugdelijk onderzoek en bewezen effectiviteit en een platform bieden voor alle betrokkenen die behoefte hebben aan verbinding.
  • Uitbouw en verduurzaming van het Kenniscentrum Hoogbegaafdheid (KCHB). In 2026 wordt gewerkt aan: 1. inspiratie, verbinding en facilitering voor professionals en organisaties en 2. duurzame inbedding van het kenniscentrum, zodat het een structurele rol kan vervullen.
  • Inspireren, verbinden en faciliteren voor alle leeftijdsgroepen. NTCN richt zich in 2026 specifiek op: professionals betrokken bij de doelgroep 0-18 jaar (bijv. leerkrachten, begeleiders, ouders) en professionals betrokken bij de doelgroep 18+ (bijv. loopbaanbegeleiders, HR-professionals, werkgevers).
  • Internationale verbinding: NTCN als deel van een Europees netwerk. NTCN opereert niet alleen nationaal, maar ook internationaal als coördinator van nationale Talent Points binnen het European Talent Support Network (ETSN). Hierdoor vinden Europese inzichten en kennis hun weg naar Nederland, en omgekeerd. Deze internationale verbinding wordt door deelnemers aan de Klankbordgroep als essentieel gezien voor de verdere ontwikkeling van het veld.

Wat betekent dit voor de toekomst?

De opbrengsten van de klankbordgroep en het jaarplan laten zien dat NTCN de komende jaren een centrale, verbindende rol wil vervullen. Dit betekent:

  • Een platform zijn waar praktijk, wetenschap, beleid en onderwijs elkaar ontmoeten.
  • Kennis delen en toegankelijk maken voor alle betrokkenen.
  • Lobbyen voor structurele aandacht voor hoogbegaafdheid bij beleidsmakers en politici.
  • Samenwerken met internationale netwerken zoals ETSN en ECHA.
  • Actief betrekken van deelnemers bij de ontwikkeling van het netwerk.

Werk je met ons samen aan deze ambities?

NTCN nodigt alle betrokkenen uit om actief bij te dragen aan dit netwerk. Of je nu kennis of ervaringen wilt delen, samenwerkingsmogelijkheden ziet, of initiatieven wilt opzetten, neem dan contact met ons op.

Hoogbegaafd en leesproblemen: een andere blik op ontwikkeling

Hoogbegaafde kinderen kunnen alles, toch? Kim Lijbers, onderzoeker bij POINT, weet wel beter. Haar onderzoek naar hoogbegaafde leerlingen met leesproblemen toont aan dat talent en leesvaardigheid niet altijd hand in hand gaan. En dat dat oké is.

“Na de academische pabo in Utrecht, gecombineerd met een bachelor onderwijskunde, heb ik de master onderwijswetenschappen gevolgd. Daarna kwam ik terecht op een school voor hoogbegaafde kinderen in mijn eigen regio. Ik was eerst onzeker: zou deze doelgroep bij me passen? Maar na een dag meelopen was ik verkocht. De dynamiek, de diepgang, de manier waarop deze kinderen dachten, het sprak me enorm aan. Ik verdiepte me in het onderwerp en ontdekte al snel dat er nog zoveel te leren viel.

Bijvoorbeeld dat de vooroordelen over deze groep groot waren. Hoogbegaafde kinderen kunnen alles, toch? Dat klopte niet. Wat ik wel zag, waren kinderen met unieke behoeften, die niet altijd werden begrepen.
Mijn oorspronkelijke plan was om leerkracht te blijven. Tot POINT op mijn pad kwam. Drie jaar lang coördineerde ik een werkplaats in Den Bosch, waar wetenschappelijk onderzoek en onderwijspraktijk samenkomen. En toen was de stap naar promotieonderzoek snel gezet.

Discrepante lezers: een vergeten groep

Mijn onderzoek komt voort uit mijn scriptie, het richt zich op een bijzondere groep: hoogbegaafde kinderen die moeite hebben met lezen, maar niet voldoen aan de criteria voor dyslexie. We noemen ze discrepante lezers: kinderen met een hoog IQ, maar een leesvaardigheid die daar niet bij past. Deze groep valt vaak tussen wal en schip: ze krijgen geen diagnose, en dus ook geen passende begeleiding, terwijl ze wel frustratie kunnen ervaren.

Tijdens mijn scriptie ben ik begeleid door Arjan van Tilborg (docent aan de pabo, Hogeschool Leiden). Anouke Bakx (lector Goed leraarschap, Goed leiderschap, Fontys Hogeschool) en Sietske van Viersen (onderzoeker Pedagogiek in Diverse Samenlevingen, Universiteit Utrecht) zijn daar bijgekomen toen ik mijn scriptie om ging zetten naar een wetenschappelijke paper. Sietske was voor mij een groot voorbeeld, zij is gepromoveerd op het onderwerp dyslexie en hoogbegaafdheid.

Uit ons onderzoek bleek iets verrassends. We keken naar zwaktes op gebieden die vaak geassocieerd worden met dyslexie, zoals fonemisch bewustzijn (het herkennen van klanken in woorden), benoemsnelheid en verbale kortetermijngeheugen. Maar deze kinderen lieten geen extra zwaktes zien ten opzichte van hoogbegaafde kinderen zonder leesproblemen. Ook toonden ze geen bijzondere sterktes op deze gebieden. Hun prestaties waren simpelweg gemiddeld. Toch kunnen ze het lezen als een probleem ervaren. En dat heeft alles te maken met verwachtingen.

Van hoogbegaafde kinderen wordt vaak aangenomen dat ze overal goed in zijn. Ouders, leerkrachten en de kinderen zelf verwachten dat ze uitblinken, ook in lezen. Als dat niet het geval is, ontstaat frustratie. Maar het is zeker niet vanzelfsprekend dat hoogbegaafde kinderen goed kunnen lezen. De correlatie tussen intelligentie en leesvaardigheid is hoogstens gemiddeld, niet hoog. Sommige kinderen hebben gewoon tijd nodig. Andere ontdekken pas later de motivatie om te lezen. En dat is oké.

Een andere aanpak: focus op talent

In het onderwijs zien we vaak dat we ons richten op het wegwerken van zwaktes: ‘Dit kan een kind niet, dus daar moeten we extra mee oefenen’. Dat is op zich niet verkeerd, maar we vergeten soms om te kijken naar waar een kind wel goed in is. Voor hoogbegaafde kinderen (eigenlijk voor alle kinderen) is het essentieel om oog te houden voor hun talenten. Want als je alleen hoort wat je niet kunt, daalt je competentiegevoel. En dat raakt niet alleen de motivatie, maar ook het welbevinden.

Voor discrepante lezers betekent dit een andere benadering. In plaats van te focussen op het verbeteren van leesvaardigheid (wat vaak niet helpt, omdat er geen onderliggende zwakte is), kun je beter kijken naar hun ambities. Wat willen ze bereiken? Wat drijft ze? Hoe kan lezen daarin een rol spelen, of juist minder centraal staan? Door lezen te koppelen aan hun interesses en sterke punten, wordt het ineens een aangenamere taak. Psycho-educatie is hier ook belangrijk: uitleggen dat je niet overal goed in hoeft te zijn, zelfs als je hoogbegaafd bent.

Mijn boodschap is simpel: kijk verder dan de zwaktes. Kijk naar het kind, niet het label. En onthoud: een kind dat niet goed kan lezen, is niet per definitie een kind met een probleem. Soms heeft het gewoon tijd, motivatie of een andere benadering nodig.”

Meer weten?

Onderzoek naar hoogbegaafdheid in het onderwijs: een gesprek met Kim Smeets

Hoogbegaafdheid in het onderwijs is een thema dat vaak (onbewuste) vooroordelen en misvattingen met zich meedraagt. Hoe kijken leerkrachten aan tegen hoogbegaafde leerlingen? Hoe beïnvloedt intelligentie de relatie tussen leraar en leerling? En hoe kunnen scholen leraren beter toerusten om deze doelgroep te herkennen en te begeleiden? Kim Smeets, onderzoeker en coördinator bij POINT, heeft in vier onderzoeken, die deel uitmaken van haar proefschrift, gekeken naar de kennis, houdingen en praktijk van leerkrachten ten aanzien van hoogbegaafdheid.

“Tijdens mijn stage voor mijn master hield ik interviews met (leerlingen van) scholen die deelnamen aan de subsidieregeling ‘doorstroomprogramma’s po-vo’. Daar kwam ik veel hoogbegaafde leerlingen tegen. Ik merkte dat ik zelf ook vooroordelen had: hebben deze leerlingen dat echt nodig? Maar na verdieping en gesprekken met betrokkenen, realiseerde ik me dat deze leerlingen juist extra aandacht verdienen.

Ik werk bijna zes jaar als onderzoeker en coördinator bij POINT, eerst in Eindhoven (POINT040) en nu in de Zaanstreek. Bij POINT werken we met een praktijkgerichte aanpak. Al onze onderzoeksthema’s komen voort uit vraagstukken waar scholen in de werkplaatsen tegenaan lopen. We zitten met groepen bij elkaar, inventariseren knelpunten rondom het onderwijs voor hoogbegaafde leerlingen en nemen dat mee in onderzoeksvragen.”

Onderzoek 1 – Kennis en houding van leerkrachten

“Mijn eerste onderzoek richt zich op de kennis en houdingen van basisschoolleerkrachten ten aanzien van hoogbegaafdheid. Via vragenlijsten onderzocht ik wat leerkrachten weten en hoe ze aankijken tegen deze doelgroep. Mijn belangrijkste bevindingen zijn:

  • Over het algemeen hebben leerkrachten redelijk veel kennis en zijn hun houdingen positief.
  • Er zijn echter grote verschillen: sommige leerkrachten scoren bijna alle vragen goed, terwijl anderen veel onzekerheid of misvattingen tonen.
  • Misvattingen doen zich met name voor over de sociale en emotionele ontwikkeling van hoogbegaafde leerlingen.
  • Professionaliseringsbehoeften zijn groot, maar juist de leerkrachten die het meest behoefte hebben aan bijscholing, tonen het minste interesse.
  • We zien dat leerkrachten vooral korte, praktische workshops willen, vooral op school. Maar uit onderzoek weten we dat langdurige, actieve leertrajecten het meest effectief zijn.”

Meer weten over dit onderzoek?

Onderzoek 2 – Vooroordelen bij het inschatten van cognitieve vaardigheden

“In mijn tweede onderzoek heb ik de inschattingen van leerkrachten en ouders over de cognitieve vaardigheden van leerlingen/hun kinderen vergeleken met de daadwerkelijke cognitieve vaardigheden van leerlingen. Deze waren gemeten via een aantal tests. Mijn belangrijkste bevindingen zijn:

  • Leerkrachten kunnen cognitieve vaardigheden tot op zeker hoogte goed inschatten.
    Er zijn echter systematische, onbewuste vooroordelen:
  • Leerlingen met het label ‘hoogbegaafd’ worden hoger ingeschat dan leerlingen met vergelijkbare capaciteiten zonder label.
  • Leerlingen met andere specifieke onderwijsbehoeften (bijv. dyslexie) worden juist lager ingeschat.
  • Leerlingen met een hogere sociaal-economische achtergrond worden hoger ingeschat dan leerlingen met vergelijkbare capaciteiten met een lagere sociaal-economische achtergrond.
  • Ouders vertonen dezelfde bias als leerkrachten, behalve bij sociaal-economische status: daar zien we de vooroordelen alleen bij leerkrachten.
  • Dit sluit aan bij breder onderzoek naar kansgelijkheid in het onderwijs. Leraren handelen vaak onbewust, maar het is wel degelijk een probleem.”

Meer weten over dit onderzoek?

Onderzoek 3 – De relatie tussen leraar en leerling: speelt intelligentie een rol?

“Ook onderzocht ik of leerlingen met verschillende intelligentieniveaus hun relatie met de leraar anders ervaren. Om dat onderzoek te kunnen doen hebben we de leerlingen in drie groepen verdeeld: de 10% hoogst scorenden op een intelligentietest, de 10% laagst scorenden, en een gemiddelde groep. De belangrijkste bevindingen:

  • Over het algemeen ervaren leerlingen een goede relatie met hun leraar, gekenmerkt door nabijheid en weinig conflict.
  • Leerlingen met de hoogste intelligentie scores ervaren geen andere relatie dan gemiddelde leerlingen.
  • Leerlingen met lage scores ervaren meer conflict, maar niet minder nabijheid.
  • Intelligentie speelt geen grote rol in de leraar-leerlingrelatie: andere factoren (bijv. persoonlijkheid, gedrag) zijn mogelijk bepalender.
  • Uit eerder onderzoek blijkt wel dat hoogbegaafde leerlingen soms andere wensen hebben aan een leraar, maar in de ervaren relatie zien we dat niet terug.”

Dit onderzoek is nog niet gepubliceerd

 

Onderzoek 4 – enIQma: een professionaliseringsspel voor leerkrachten

“Om leerkrachten beter toe te rusten, hebben we bij POINT enIQma ontwikkeld, een professionaliseringsspel gericht op het vergroten van kennis en het doorbreken van vooroordelen over hoogbegaafdheid. Het spel is opgebouwd uit drie onderdelen:

  • Feit of fabel: Kaartjes met stellingen over hoogbegaafdheid. Leerkrachten discussiëren of een stelling waar is en waarom, waarna het antwoord wordt onthuld.
  • Casus en onderzoek: Een spelbord gebaseerd op handelingsgericht werken. Leerkrachten analyseren casussen, herkennen kenmerken van hoogbegaafdheid en bespreken onderzoeksmethoden en de resultaten van deze onderzoeken.
  • Methodiek: Leerkrachten doorlopen het onderdeel ‘casus en onderzoek’ met een echte casus en maken een handelingsplan.

Het spel hebben we getest bij pabostudenten. Die hebben we in twee groepen verdeeld: de een kreeg een hoorcollege over hoogbegaafdheid, de andere groep speelde het spel. Vooraf aan de onderwijsactiviteit en na afloop hebben we kennis en houding van de studenten onderzocht. Beide groepen toonden een kennistoename, alleen het hoorcollege leidde tot een positieve houdingsverandering; bij eniqma bleef de houding onveranderd.

We zien dat het spel werkt, maar dat de manier van inzet belangrijk is. Er moet iemand bij zijn die de discussie begeleidt en zorgt voor diepgang.

Meer weten over dit onderzoek?

Meer weten?

De onderzoeken van Kim Smeets (en haar collega’s) zijn terug te vinden in praktijkartikelen en factsheets op de website van POINT.

Inschrijving ECHA2026 in Dublin geopend

The Centre for Talented Youth, Ireland at Dublin City University invites you to join us in Dublin for the 20th European Council for High Ability (ECHA) Conference. Embark on a transformative journey with educators, researchers, psychologists, parents and advocates from across the world to collectively redefine the landscape of gifted education. The conference promises to challenge conventional notions of giftedness, spark insightful dialogues, and inspire innovative approaches towards nurturing high ability in diverse learners.

Although a small country, Ireland’s tradition of transcontinental migration has created a world where the Irish diaspora are found everywhere. As a city, Dublin is accessible for international guests, filled with tradition and a gateway to Ireland’s famous ‘céad míle fáilte’- a hundred thousand welcomes.

CTY Ireland is one of Europe’s largest gifted education centres, Ireland’s only formal programme for gifted children and a thriving research centre. Established in Dublin City University in 1992, CTY Ireland aims to allow all gifted students to reach their potential both academically and socially, by providing interesting courses and programmes that are based on interest and ability, rather than age.

As the former hosts of ECHA 2018, CTY Ireland is committed to exceeding the high levels of engagement and enjoyment participants reported. Ireland is a landscape of stunning beauty, with a deep cultural and literary history, with a warm and welcoming population. We can guarantee a social programme like no other, so guests can experience the lively atmosphere of Dublin during the event.

Ga hier naar de website van ECHA2026…